Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bedoelde geval zijn daad niet de gevolgen hebben, die er aan verbonden zouden zijn, ware zij afkomstig van het competente gezag !). Dus zal de rechter dit punt moeten onderzoeken, waar het van invloed is op zijn eindbeslissing. Zie Gierke, Die Genossenschaftstheorie (1887) p. 685—686, waarbij vgl. 1.1. p. 673— 685. — Voor het geval dat de competentiekwestie zich geheel oplost in een doelmatigheidsvraag, vgl. sub Alg. Begins. XVII.

Zie bij het voorafgaande ook J. D. Meyer, Esprit... des Institutions judiciaires VI (1823) p. 54—58. Hoewel deze niet uitdrukkelijk onderscheidt, heeft hij t. a. p. toch klaarblijkelijk de competentie tot een handeling op het oog, waar hij zegt dat onbevoegdelijk genomen bestuursmaatregelen het karakter van bestuursdaden missen. — Verder gaat in dit opzicht H. Vos in Bijdr. St.-best. 30 p. 231—233, die aldaar m. i. metterdaad de bestaanbaarheid van onrechtmatige bestuursdaden ontkent, door te beweren dat elke onwettigheid (dus niet alléén bij overschrijding der competentie-grenzen) de daad zou stempelen tot een handeling van den beambte in privé. Deze meening (waartegen zie H. R. 26 Juni 1903 W. 7938, R.spr, 194 § 46, P. v. J. 280, G. st. 2712; vgl. ook het slot der concl. O. M. vóór dit arrest) is 1.1. p. 231 v. o. hiermee gemotiveerd, dat daden in strijd met den staatswil niet kunnen zijn daden uit dien staatswil voortvloeiend. De schrijver vergeet hier m. i. dat de juridieke eenheid van den Staat, zooals deze gemeenlijk wordt opgevat, een abstraktie is, en diens wil een flktie. Hetgeen men den staatswil noemt, komt voor verschillende funkties door verschillende organen tot stand. Botsing tusschen den wil van het eene orgaan en dien van het andere is zeer goed mogelijk. Wel moet naar

!) Vgl. hierbij ten aanzien der verantwoordelijkheid van de gemeenschap voor daden van een ambtenaar buiten diens competentie verricht, H. R. 22 Febr. 1861 W. 2252, R.spr. 67 § 28, v. d. Hon. B. R. 25 p. 69, R. B. 1861 p. 220. — Ten opzichte van daden binnen den z.g. formeelen bevoegheidskring zie Léon—Rombach 2e ed. op art. 1401 B. W. Suppl. III en IV no. 1161. — Vgl. mede het slot van het hieronder in den tekst geciteerde arr. H. R. van 26 Juni 1903.

Sluiten