Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het op p. 20 hiervóór vermelde arr. H. R. van 17 Juni 1881 betrof een daad van voluntaire jurisdiktie; vgl. hieromtrent no. 17 sub a hierna. — Bij het hiervóór op p. 21 geciteerde arr. Hof Z.-Holl. van 23 Jan. 1860 en het vonnis Rb. Rott. van 29 Juni 1859 gold het virtualiter de competentie van den rechter, die een toezienden voogd had benoemd, n.1. de vraag of de Rechtbank dit had mogen doen zonder appèl tegen de beschikking van den Kantonrechter. Tevens werd hier echter onderzocht de wettigheid der benoeming door den Kantonrechter, d. w. z. of deze daarbij de wet had in acht genomen.

§ 2-

Rechterlijk onderzoek naar de rechtmatigheid van bestuursdaden, afkomstig van het daartoe competente gezag.

A.

6. De leer dat aan de rechterlijke macht is ontzegd de beoordeeling der materieele rechtmatigheid van bestuursdaden, is gehuldigd in de hier volgende beslissingen (waarbij zijn te voegen die betreffende een eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, vermeld hierna in no. 10):

ff. De beoordeeling der rechtmatigheid van handelingen van het administratief gezag, binnen den kring van diens bevoegdheid geschied, komt niet toe aan de rechterlijke macht. — Zóó H. R. (K. v. Sz.) 28 Febr. 1865, vermeld hiervóór opp. 261. Vgl. voor dit arrest mede aldaar en hierna no. 29 sub ff. — Evenzoo (betreffende een benoeming, vgl. hierna no. 31 sub e): H. R. 23 Aug. 1864 W. 2617 p. 1 kol. 2—3, R.spr. 77 § 45, v. d. Hon. Sr. 1864 p. 237, R. B. 1865 p. 584, G. st. 700, W. B. A. 818.

b. Gelijke zienswijs als in de hierboven sub « genoemde arresten van 1864 en 1865, is ook gehuldigd in de volgende

niet uit de bevoegdheid en verplichting van den rechter tot een louter praejudicieel onderzoek der benoemings-conipetentie op een exceptie van non-qualificatie uls in deze procedures was opgeworpen ; vgl. hiervóór p. 215 sub k.

Lkon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 2G*

(Mr. L. van Praag, Recht. Org.)

Sluiten