Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ook O. Gierke, Die Genossenschaftstheorie (1887) p. 183 — 184 stelt in het algemeen voor alle korporaties de leer op dat wèl naar de competentie van het betrokken orgaan door den rechter onderzoek mag en moet worden gedaan, doch niet naar de materieele wettigheid der bestuursdaad, behoudens bepaling van het tegendeel bij de wet, of het statuut der korporatie. M. i. is echter Gierke's „daher" (1.1. p. 183 v. o.) misplaatst, en valt daarmee zijn hier vermelde conclusie.

Mede is de bedoelde leer voorgestaan door den Min. v. Just. (Godefroi) in Hand. Tweede Kamer 1860—1861 p. 139-140.

t. Zie ook (toen de iure constituendo, en meer speciaal ten opzichte der rechterlijke competentie), Thorbecke in Hand. Tweede Kamer 1854—1855 p. 742 kol. 1 v. b.: „Ik geloof dat

men den burgerlijken regter, met de handelingen van het

bestuur als zoodanig, zoo min mogelijk in aanraking moet brengen." Hiermee stemt in H. J. Smidt, De wet tot regeling van het armbestuur, 3e ed. (1871) p. 209, die aldaar eveneens het oog heeft op de competentie van den burgerlijken rechter. Insgelijks 1.1. p. 220: „alles wat betreft regeringshandelingen, alles, wat naar beginselen van publiek regt en naar de regelen van het in het algemeen belang handelend staatsgezag moet worden beoordeeld, worde buiten den werkkring des burgerlijken regters gesloten"*). Dit korrespondeert met Thorbecke, Aanteek. Grw. 2e ed. II p. 155 en 157 (vgl. 1.1. p. 160—161), en diens Bijdrage p. 81, 83 en 84, waarheen Smidt 1.1. p. 210—211 verwijst, — mede betreffende de rechterlijke competentie. Yoor deze stelt Thorbecke als criterium vaste burgerlijke rechten tegenover afhankelijkheid van de openbare zaak. Smidt 1.1. p. 212 vat dit kenmerk op in dien zin dat al dan niet het algemeen belang mede grondslag moet zijn voor de te geven beslissing. — Thorbecke's gedachtengang t. a. p. schijnt

!) Vgl. hierbij ook het door de Regeering gezegde bij het vaststellen van art. 1 R. O., zie v. d. Honert, Handb. B. R. V. (1839). le stuk p. 5 kol. 1 De opmerking der Regeering t. a. p. is echter te vaag om er veel waarde aan te hechten.

Sluiten