Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

althans ten deele mede te leiden tot de meening dat de rechterlijke macht bestuursdaden niet mag beoordeelen; vgl. hierna no. 37 sub b. Men onderscheidt dan n.1. niet tusschen de rechtmatigheid der daad, die aan het objektieve recht, en haar doelmatigheid (ruimer: haar wenschelijkheid), die aan het algemeen belang is te toetsen (zie Alg. Begins. XVII). Vgl. b.v. het hiervóór in no. 6 sub b vermelde arr. H. R. van 1900, waarin rechtmatigheid en doelmatigheid op één lijn worden gesteld. Vgl. ook de motiveering der op p. 59 geciteerde arresten H. R. van 21 Juni 1872, 23 Okt. 1874 en 4 April 1884: steunend op het algemeen belang, dus voortvloeiend uit het publieke recht. Insgelijks H. R. 28 April 1887 W. 5435, R.spr. 145 § 71, v. d. Hon. B. R. 53 p. 173. Vgl. hierbij J. R. H. v. Schaik, De Overheid tegenover de artt. 1401 en v. B. W., diss. Utrecht 1905 p. 231—233 en 1.1. nt. 1 op p. 237. — Zie ook hierna no. 10 (2) sub a i. f., alsmede sub d (Hof Gent 16 Maart 1895). Vgl. verder no. 37 sub b.

u. De boven sub t bedoelde onderscheiding tusschen rechtmatigheid en doelmatigheid der bestuursdaad is eveneens verwaarloosd door den Min. v. Just. (de Vries) in Hand. Tweede Kamer 1872—1873 p. 1202—1203: vgl. zijn voorbeelden op p. 1202 kol. 1 v. o. met dat 1.1. kol. 2 v. o—p. 1203 kol. 1 v. b. Hierdoor huldigde ook hij de leer in den aanhef van dit no. 9 aangeduid; vgl. 1.1. p. 1199 kol. 2 en p. 1215 kol. 1. Hij voegde dan ook, naar aanleiding der voorafgegane beraadslagingen (vgl. Luyben 1.1. p. 1209 kol. 2, p. 1210—1211 en p. 1219, v. Lijnden v. Sandenburg p. 1216 kol. 1 en Godefroi p. 1214 kol. 2 v. o.— p. 1215 kol. 1) aan art. 3 van zijn ontwerp R. O. een tweede lid toe, luidende: ,,Bij die kennisneming treedt de regterlijke magt niet in beoordeeling van hetgeen door een andere magt binnen de grenzen harer bevoegdheid is gedaan." Terecht merkte Heemskerk (Hand. 1.1. p. 1234) op dat deze bepaling enkel betrof de kennisneming (krachtens gemeld art. 3) van de niet zuiver burgerrechtelijke geschillen, doch niet stond in art. 2, handelend over wèl zuiver burgerrechtelijke gedingen. Het zooeven geciteerde

27

Sluiten