Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toch zulke daden uitsluitend in het algemeen belang geschieden. Tusschen doelmatigheid en rechtmatigheid is hier dus niet onderscheiden; vgl. no. 9 sub t hiervóór. — Bij de bedoelde Belgische jurisprudentie vgl. p. 415 v. b. — Zie hier ook no. 12 sub e.

e. AVaar inbreuk op een burgerlijk recht werd beweerd, is voor de vordering tot schadevergoeding de meening dat de rechterlijke macht ook dan de wettigheid der aangevallen bestuursdaad, vallende binnen den formeelen bevoegdheidskring, niet mag beoordeelen, aangehangen door het hierboven sub b genoemde vonnis Rb. Rott. van 1874, door Rb. 's Hertog. 6 Nov. 1844 W. 584, R. B. 1845 p. 556, R.spr. 26 § 97, en door het in no. 6 sub h hiervóór vermelde arr. Hof Curaqao van 1872.

C.

11. a. In tegenstelling met de in het vorig no. 10 (2) sub e bedoelde beslissingen, alsmede met die in nos. 6—8 vermeld, is door de hier volgende jurisprudentie aangenomen dat in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige bestuursdaad, waar hierdoor inbreuk1) op burgerlijke rechten zou geschieden, de

!) Of er sprake is van inbreuk op een burgerlijk recht kan wel eens twijfelachtig zijn. Hierdoor is er soms ook verschil van opvatting mogelijk omtrent de vraag of een bepaalde beslissing, opgenomen in dit no. 11 niet beter t'huis behoorde in het volgend no. 12, gelijk ook omgekeerd. — Het enkele feit dat tengevolge eener bestuurs-daad of -nalatigheid, iemand schade lijdt in zijn eigendom, is m. i. op zich zelf niet voldoende om de daad of het nalaten te stempelen tot een inbreuk op het eigendomsrecht. Men denke b.v. aan beschadiging van schepen door het stooten op palen in een vaarwater tengevolge van slecht onderhoud door het openbaar gezag. Heeft dit voorbeeld betrekking op nalatigheid, ook bij positieve daden kan het voorkomen dat de schade geen direkt, maar een middellijk gevolg is der bestuursdaad, soms niet te voorzien in den aanvang; ook dan zal men m. i. geen inbreuk op eischers burgerlijk recht mogen aannemen.

Verder worde hier herinnerd aan hetgeen is gezegd in de noot bij het opschrift van dit hoofdstuk, dat n.I. het begrip «bestuursdaad» niet geheel vaststaat. Dientengevolge kan er dan ook, speciaal bij sommige der in dit no. 11 en het volgend no. 12 opgenomen beslissingen (vgl. ook no. 14 sub d) wel eens twijfel rijzen of ze inderdaad bestuursdaden betreffen.

Sluiten