Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechterlijke macht de rechtmatigheid dier daad wel mag beoordeelen. — ln dien zin H. R. 24 Juni 1904 W. 8091, R.spr. 197 § 36, P. v. J. 373, G. st. 2763, W. B. A. 2885, W. v. N. R. 1809, speciaal voor het geval dat eischer niet-toepasselijkheid eener verordening beweert. Insgelijks het arrest a quo Hof Leeuw. 24 Juni 1903 W. 7942, W. B. A. 2833, gekritiseerd in W. B. A. 2835. — Ygl. hierbij ook (al betrof het toen niet inbreuk op een burgerlijk recht): Rb. Rott. 26 Febr. 1872 W. 3594, waarbij werd daargelaten of het in 't algemeen buiten de bevoegdheid van den burgerlijken rechter ligt om te beoordeelen, in hoever een gemeentebestuur al dan niet met recht op grond eener verordening een bouwvergunning heeft geiceigerd, — doch de competentie der rechterlijke macht, en implicite ook haar bevoegdheid tot bedoelde beoordeéling is aangenomen voor het geval eischer stelt dat de verordening niet toepasselijk is. Ten opzichte van dit geval vgl. het gezegde hiervóór in no. 4 en de noot aldaar.

Het boven geciteerde arr. Hof Leeuw, van 1903, dat den eisch tot schadevergoeding hier kwalificeerde als een geschil over uit eigendom voortspruitend recht (waartegen terecht W. B. A. 1.1.), overwoog dat de opdracht der competentie voor zulke geschillen aan de rechterlijke macht meebrengt, dat deze mag onderzoeken of de aangevallen bestuursdaad rechtmatig was, — en dat de rechter, dit doende, niet beslist of de gedaagde (gemeente) een juist gebruik maakte van haar publiekrechtelijke bevoegdheid, maar of die bevoegdheid bestond. — Bij dit arrest vgl. dat van Hof Friesland 27 Juni 1839 W. 228, beslissend dat in een eisch tot schadevergoeding, ingesteld tegen een polderbestuur wegens het dichten van een water, en het hierdoor onrechtmatig opheffen der vrije doorvaart, die eischer had als aangelegen grondeigenaar, — al voerde het polderbestuur terecht een last uit door hooger staatsmacht verstrekt — de beoordeeling der gevolgen die deze uitvoering had voor eischers eigendom of daaruit voortspruitende rechten, naar de Grondwet toekomt aan de rechterlijke macht. Het Hof voegde er bij dat het objectum litis hier niet was een

Sluiten