Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Twijfel te dien aanzien rijst mede voor Rb. Heerenveen 22 Mei 1896 W. 6820, toewijzend een eisch tot schadevergoeding van een ingeland tegen een polder, welks bestuur voor eischer een sluis had gesloten, omdat hij niet betaalde een heffing, van hem verlangd door den vroegeren eigenaar der vaart, jegens wien de polder zich verbonden had in zulke gevallen de sluis te sluiten. Ged. Staten van Friesland hadden bij resolutie van 2 April 1891 beslist dat het geschil over de rechtmatigheid dier daad van het polderbestuur zuiver burgerrechtelijk was, en tegen die beslissing was het beroep ongegrond verklaard bij K. B. 21 April 1892 R. v. St. 32 p. 290 (vgl. W. 6820 p. 1 kol. 3). — Men kan hier öf van meening zijn dat de polder als eigenaar van sluis en vaarwater handelde, öf wel dat het bestuur, al was een civiel contract met een derde de aanleiding tot zijn daad, — toch de macht, die het als polderbestuur had, gebruikte, zij het ook voor een ander doel dan waarvoor die macht was verleend. Bij de laatste beschouwing was de vraag, of de daad in kwestie rechtmatig kon zijn, althans niet zuiver burgerrechtelijk, — doch betrof zij een bestuursdaad, tot beoordeeling waarvan de Rechtbank zich hier gerechtigd achtte ').

Dit laatste was eveneens het geval bij het in no. 6 sub d hiervóór vermelde vonnis Rb. Maastricht van 11 Jan. 1856, echter enkel voor den accessoiren eisch tot schadevergoeding, niet voor de hoofdvordering.

c. Implicite is de in den aanhef van dit no. 11 aangeduide leer aanvaard (vgl. in anderen zin no. 6 sub e hiervóór) door H. R. 9 Mei 1902 W. 7766, R.spr. 191 § 2, v. d. Hon. B. R. 68 p. 207, P. v. J. 156, W. B. A. 2763, voorzoover aannemend de ontvankelijkheid der ingestelde vordering, waarbij was gesteld inbreuk op eischers eigendom door dien ten onrechte te behandelen als bezwaard met den last van openbare loaterleiding. Dit arrest verwierp de cassatie tegen Hof 's Hertog. 31 Dec. 1900 W. 7541, P. v. J. 1.1. bevestigend Rb. 's Hertog. 29 Dec. 1899 W. 7500, P. v. J. 1.1.

i) Vgl. hierbij het slot van het volgend no. 12.

Sluiten