Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onrechtmatige ambtsdaad, inbreuk makend op eischers eigendomsrecht, al ging die daad uit van een rechter-commissaris, hier echter niet handelend als belast met de instruktie in strafzaken, maar gevende een bevel betreffende een politiemaatregel, n.1. tot verkoop van in beslag genomen vee. — Dit laatste kwam ook ter sprake bij H. R. 24 Jan. 1868, vermeld hierna in no. 15 sub f. Toen echter gold het geen primaire vordering tot schadevergoeding, en ontnam de bestuursdaad aan eischer wel het feitelijk houden der zaak, doch maakte geen inbreuk op zijn burgerlijke rechten. — Ygl. ook H. R. 21 Maart 1859 W. 2044, R.spr. 61 § 49, v. d. Hon. B. R. 23 p. 150, R. B. 1861 p. 220, betreffende het in beheer nemen van eischers goed door een opper strandvonder. — Yerder de concl. O. M. vóór H. R. 31 Aug. 1869 W. 3140, R.spr. 92 § 39, v. d. Hon. B. R. 34 p. 1, en vóór H. R. 20 Dec. 1844 v. d. Hon. B. R. 6 p. 215 — 216.

Nog is implicite de bevoegdheid der rechterlijke macht aangenomen tot beoordeeling van bestuursdaden, die inbreuk zouden maken ep eischers burgerlijke rechten, in een vordering tot schadevergoeding wegens die dus onrechtmatige daad, door Hof Amst., arresten van 28 Juni 1900 W. 7490, P. v. J. 1901 no. 14, W. B. A. 2685, en van 5 Dec. 1902 W. 7873, G. st. 2690, W. B. A. 2811, bevestigend Rb. Amst. 19 Juni 1901 W. 7710, P. v. J. 280. Vgl. ook de vonnissen dierzelfde Rechtbank van 20 April 1899 W. 7372, P. v. J. 1899 no. 89, G. st. 2526, en van 28 April 1854 W. 1690, G. st. 216, W. B. A. 334, — in verband met haar vonnis van 12 Nov. 1852 W. 1.1., en het arr. Hof N.-Holl. van 7 April 1853 W. 1.1. (betreffende schade, die aan eischers eigendom zou zijn toegebracht door nalatigheid bij het maken van openbare werken vanwege de gemeente).

Zie verder Hof Arnhem, arresten van 1 Juni 1881 W. 4707, van 25 Mei 1904 W. 8099, G. st. 2765, met het vonnis a quo, Rb. Arnhem 11 Mei 1903 W. 8031, — en van 17 Dec. 1902 W. 7928, op dit punt in gelijken zin als het vonnis a quo, Rb. Almelo 29 Mei 1901 W. 7713, G. st. 2648; vgl. ook Rb. Almelo 18 April 1905 W. 8405, G. st. 2871, W. B. A. 2951. - Zie

Sluiten