Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mede (de overweging betreffende art. 180 Gem.wet) Hof Arnhem 26 April 1899 W. 7334, P. v. J. 1900 no. 50, en het vonnis a quo, Rb. Tiel 28 Jan. 1898 W. 7178. Ook Hof Geld. 9 Jan. 1861 W. 2257, R. B. 1861 p. 386, G. st. 492, W. B. A. 615.

Zie voorts Hof 's Hertog., arresten van 29 Dec. 1885 W. 5326, en van 19 Jan. 1880 W. 4540, bevestigend Rb. Breda 7 Jan. 1879 W. 1.1. Ygl. ook Rb. Breda 13 April 1858 W. 1985 en 2029, R.spr. 65 § 62 (in de motiveering over de ontvankelijkheid eener hier overigens niet ingestelde vordering tot schadevergoeding). — Zie ook Hof Leeuw. 7 Dec. 1881 W. 4777, W. B. A. 1766.

Mede in gelijken geest Hof Z.-Holl. 7 April 1873 W. 3581, R. B. 1873 p. 533, G. st. 1129, W. B. A. 1248, bevestigend Rb. Dordt 24 Juni 1872 W. 3477, G. st. 1089, W. B. A. 1212; Hof Z.-Holl. 4 April 1864 W. 2593, G. st. 672, W. B. A. 786, waartegen de cassatie werd verworpen door H. R. 2 Dec. 1864 W. 2646, R.spr. 78 § 31, v. d. Hon. B. R. 29 p. 111, G. st. 692, W. B. A. 813 (zie op het vierde cassatiemiddel); vgl. ook het vonnis in eersten aanleg van Rb. Rott. 1 Sept. 1862 W. 2425, W. B. A. 701; voorts Hof Z.-Holl. 27 Mei 1861 W. 2279 (2323), G. st. 508, W. B. A. 625, met het vonnis a quo, Rb. Rott. 27 Juni 1860 W. 2279, G. st. 1.1. Ygl. verder het arrest van hetzelfde Hof van 16 Dec. 1867 W. 2964, G. st. 851, W. B. A. 1016, dat echter bevestigend Rb. Rott. 14 Nov. 1866 W. 2857, G. st. 797 (790) — op grond van eischers houding aannam dat geen onrechtmatige daad was gesteld, aan welke opvatting in cassatie H. R. 19 Juni 1868 W. 3016, R.spr. 89 § 26, v. d. Hon. B. R. 32 p. 475, G. st. 877, W. B. A. 1000 zich gebonden achtte. Vgl. mede Hof Z.-Holl. 28 Nov. 1849 W. 1082, R. B. 1850 p. 407, v. d. Hon. B. R. 12 p. 144, waarbij de ingestelde eisch tot schadevergoeding werd gekwalificeerd als een geding, uit eigendomsrecht voortspruitend; zie het in dit no. 11 sub a aangeteekende bij het daar vermelde arr. Hof Leeuw, van 1903, en verder op art. 2 R. O. sub D no. 4.

Nog zijn in denzelfden zin als de voorgaande jurisprudentie gewezen de hier volgende beslissingen: Rb. Rott., vonnissen van

Sluiten