Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Bij het zooeven sub a genoemde arr. H. R. van 1875 vgl. ook Rb. Amersfoort 10 Dec. 1851 W. 1314, implicite in een vordering tot schadevergoeding tegen ambtenaren, die lichtvaardig en een onjuist proces-verbaal zouden hebben opgemaakt ten nadeele van eischer, — den rechter bevoegd achtend deze ambtsdaad in bedoeld opzicht te beoordeelen. Daarmee stemde in cassatie (deze verwerpend) in H. R. 18 Febr. 1853 W. 1415, R.spr. 44 § 18, v. d. Hon. B. R. 16 p. 78.

c. Rb. Arnhem 12 Nov. 1891 W. 6107, G. st. 2100, bevestigd door Hof Arnhem 7 Sept. 1892 W. 6259, G. st. 2152, W. B. A. 2271, onderzocht de rechtmatigheid van het tijdelijk opbreken der tramrails vanwege de gemeente in het belang der rioleering, een bestuursdaad dus, — en ontzegde den eisch tot schadevergoeding, omdat het vonnis die daad publiekrechtelijk rechtmatig oordeelde. Hier achtte eischer aanwezig een inbreuk op privaatrechtelijke verplichtingen (en rechten), voortvloeiend uit de hem verleende concessie tot het hebben van tramrails op den openbaren weg, — doch de Rechtbank beschouwde die concessie en de daaruit geboren rechtsverhouding als publiekrechtelijk. — Vgl. ook Rb. Maastr. 11 Juni 1857, en Hof Limburg 2 Nov. 1858, beide vermeld hierna in no. 15 sub e.

d. Mede in den geest der hier voorafgaande jurisprudentie Rb. Amst. 13 April 1906 W. 8563, W. v. N. R. 1936 en 1969 (vordering wegens weigering tot doorhaling tegen een hypotheekbewaarder q. q., met accessoiren eisch tot schadevergoeding tegen denzelfde in privé). — Verder Hof Suriname 15 Aug. 1879 W. 4445; Rb. Rott. 1 Maart 1869 W. 3134; Rb. Gorinchem 22 Febr. 1870 W. 3230; Ktg. I Rott. 15 Jan. 1868 G. st. 851 p. 4 kol. 1. — Ygl. ook Rb. Alkmaar 23 Juni 1898 W. 7362, P. v. J. 1901 no. 14, W. B. A. 2639, welk vonnis (waarin Hof Amst. 28 Juni 1900, p. 429 geciteerd, gispte dat het niet onderzocht of er sprake was van inbreuk op burgerlijke rechten) de aangevallen bestuursdaad als rechtmatig aanmerkte.

e. Voor het geval van nalatigheid in overheidszorg is implicite aangenomen dat de rechterlijke macht die nalatigheid in een

Sluiten