Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eisch tot schadevergoeding mag beoordeelen, door de hier volgende jurisprudentie. — Zoo H. R. 26 Juni 1863 W. 2498, R.spr. 74 §39, v. d. Hon. B. R. 27 p. 476, R. B. 1863 p. 705, en H. R. 26 Okt. 1860 W. 2218, R.spr. 66 § 9, v. d. Hon. B. R. 24 p. 307, R. B. 1861 p. 209. Vgl. ook Hof Leeuw. 3 Mei 1893 W. 6420, bevestigend Rb. Leeuw. 22 Okt. 1891 W. 6268; Hof Amst. arresten van 2 Mei 1884 W. 5094, P. v. J. 1884 Bijbl. 33, G. st. 1766, W. B. A. 1885, en van 23 Juni 1882 W. 4843, P. v. J. 1882 Bijbl. 30; Hof N.-Holl. 9 April 1868 W. 3038, G. st. 891, W. B. A. 1010, vernietigend het op dit punt weifelende vonnis Rb. Amst. van 8 Jan. 1867 W. 2875, R. B, 1868 p. 322, G. st. 806, W. B. A. 940. — Als de overige hier vermelde jurisprudentie ook Rb. Amst., vonnissen van 22 Juni 1875 P. v. J. 1875 Bijbl. 29, en van 14 Juli 1863 W. 2875. — Verder Hof 'sGrav. 24 Febr. 1879 W. 4344; Hof Z.-Holl. 13 Mei 1867 W. 2908, G. st. 823, W. B. A. 953; Hof Overijssel 10 Febr. 1862 W. 2587, bevestigend twee vonnissen der Rb. Zwolle van 16 Jan. en 15 Aug. 1861, beide in W. 2586. Zie ook Rb. Maastr. 25 Juni 1893 W. 6418, G. st. 2206, en Rb. Gorinchem 11 Juli 1865 W. 2777, G. st. 758.

Bovenstaande jurisprudentie is inzo'óver verouderd dat naar de tegenwoordige in het hier aangeduide geval een vordering uit artt. 1401 vlgg. B. W., wegens gemis aan civielen rechtsband niet-ontvankelijk moet geacht — vgl. hiervóór no. 10 (2) sub d —, hetgeen meebrengt dat ook van een onderzoek naar het al dan niet rechtmatige van een verzuim als hier bedoeld, geen sprake behoeft te zijn.

Overigens onderscheidt de H. R. (zie speciaal het arrest van 28 April 1887, vermeld hiervóór in no. 9 sub t) nalatigheid in overheidszorg van die als eigenaar. In het laatste geval is er dan geen kwestie van onderzoek naar bestuursdaden (deze term hier in den ruimen zin, waarin nalatigheid daaronder is begrepen). Bedoelde onderscheiding kan echter soms wel eens lastig zijn te maken.

28

Sluiten