Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ordening. In denzelfden geest in bezitvorderingen, mede implicite, Rb. 's Hertog. 14 Juli 1886 W. 5382, G. st. 1849, W. B. A. 1974 ; Rb. Deventer 16 Maart 1864 W. 2616, R. B. 1865 p. 108, en Rb. Nijmegen 30 Juni 1860 W. 2204, G. st. 471, W. B. A. 583.

In gelijken zin als de voorgaande vonnissen, Rb. Zwolle 13 Juni 1838 W. 315, aldus overwegend: In den regel is de rechterlijke macht niet bevoegd een administratieve daad te beoordeelen, en kan men zich daarover alleen bij het administratief gezag beklagen. Echter staan alle geschillen, het mijn en dijn betreffend, ter competentie der rechterlijke macht, al komen daarbij ook handelingen van het administratief gezag ter sprake. — Uit deze tegenstelling volgt dat de Rechtbank mèt de competentie dan ook gegeven achtte de bevoegdheid tot de hier bedoelde beoordeeling. — In dien laatsten zin uitdrukkelijk:

b. Hof Leeuw. 24 Juni 1903, zie no. 11 sub a hiervóór. Vgl. aldaar Hof Friesl. 27 Juni 1839. Beide arresten worden te dezer plaatse vermeld, omdat zij de toen ingestelde vorderingen — zij het ten onrechte — niet kwalificeerden als die tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. — Zie ook no. 11 sub c.

c. Hof Gron. 12 Dec. 1843 W. 468, R.spr. 17 § 33 achtte zich competent in een verzet, strekkende tot buiten effekt stelling van het bevel tot betaling eens deurwaarders, gedaan ingevolge de executoir-verklaring door den provincialen Gouverneur eener beslissing, die door Ged. Staten als rechter, op grond van art. 12 der toenmalige Armenwet van 28 Nov. 1818 Stbl. 40, was gegeven over een privaatrechtelijke schuldvordering, — dit èn wegens den burgerlijken aard der schuld, èn omdat bet bevel strekte tot aantasting van opposants eigendom. — Om die redenen verwierp het Hof de bewering dat het niet bevoegd zou zijn de daad des Gouverneurs te beoordeelen, waarvan — zoo overwoog het arrest — de waarde van het ingesteld verzet afhankelijk was. Dit werd gegrond verklaard en het bevel buiten effekt gesteld. — Daarentegen was in deze zaak het O. M. van meening dat de rechterlijke macht de vraag niet mocht beoordeelen, of de administratieve daad in overeenstemming was met

Sluiten