Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechter geen uitspraak mag doen over de wettigheid van regeeringsdaden, die zich niet op burgerrechtelijk, doch [alleen] op staatsrechtelijk terrein bewegen. Zie ook de p. 429 hiervóór vermelde concl. O. M. vóór H. R. 20 Dec. 1844, alsmede die vóór Hof Friesland 27 Juni 1860 AV. 2185 (het arrest zelf in W. 2208), welke laatste conclusie aldus adviseerde: aan de zelfstandigheid der administratieve macht in de beoordeeling van wat het algemeen belang meebrengt, wordt niet te kort gedaan door de bevoegdheid der rechterlijke macht tot beoordeeling der rechtmatigheid eener bestuursdaad, die een privaat recht betreft; hierbij vgl. no. 37 sub b i. f. hierna. — Zie nog de hiervóór in no. 1 vermelde conclusies O. M. vóór Hof N.-Holl., arresten van 6 Okt. 1845 en 8 Jan. 1846.

G.

IS. Ook al maakt de bestuursdaad, wier rechtmatigheid betwist is, geen inbreuk ') op burgerlijke rechten, is — niet enkel in het geval eener vordering tot schadevergoeding — de rechterlijke macht toch geroepen geacht die rechtmatigheid in geschillen te harer competentie te beoordeelen bij de hier volgende beslissingen:

a. Zie voor den eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad hiervóór no. 12.

b. Implicite aldus H. R. 29 Dec. 1905 W. 8317, R.spr. 201 § 63, P. v. J. 508, G. st. 2838 sub 10°, AV. B. A. 2956, de cassatie verwerpend tegen het in gelijken zin gewezen arr. Hof 's Grav. 29 Mei 1905 W. 8271, G. st. 2823 sub 11°, W. B. A. 2940, waarbij was bevestigd Rb. 'sGrav. 22 Juni 1904 AV. 8121, G. st. 2752 sub 2°., AV. B. A. 2890. De H. R. ging n.1. er van uit dat terecht was aangenomen door den rechter dat de aan een publiekrechtelijke vergunning toegevoegde voorwaarde tot betaling eener retributie, daaraan (ingevolge art. 238 Gem.wet) niet had mogen worden toegevoegd, en als ongeldig was te beschouwen.

c. H. R. 8 Jan. 1875 AV. 3812, R.spr. 109 § 3, v. d. Hon.

V

!) Vgl. de noot hiervóór bij no. "11 aanhef.

Sluiten