Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. R. 40 p. 1, R. B. 1875 A p. 141, W. B. A. 1341 (contra O. M.) toetste aan de vroegere spooncegwet van 21 Aug. 1859 Stbl. 98 een ministerieele beschikking, betreffende den treinenloop, en besliste dat de betrokken spoorwegmaatschappij door die beschikking, als zijnde onwettig, niet was gebonden '). Ygl. bij dit arrest J. Heemskerk Azn., De praktijk onzer Grondwet (1881) II p. 48—49, wiens kritiek ten deele stilzwijgend uitgaat van de stelling dat daden, vallende binnen den formeelen bevoegdheidskring der Regeering, door de rechterlijke macht moeten worden geëerbiedigd, — gedeeltelijk echter berust op onnauwkeurige lezing van het arrest. — Zie ook de hiervóór op p. 184 geciteerde arresten H. R. van 1863 en 1888. Werd daarbij aangenomen dat de rechtmatigheid der toenmalige ministerieele beslissingen niet door den rechter mocht worden onderzocht, — dit was een gevolg hiervan dat die onrechtmatigheid toen ter zake niet afdeed (vgl. t. a. p.), zoodat deze twee arresten niet in strijd zijn met het hier genoemde van 1875. Bij dit laatste was de wettigheid der ministerieele beschikking wèl praejudicieel, omdat onwettige bestuursdaden de onderdanen niet binden; zie nader no. 21 sub c en d hierna.

d. Hof Leeuw. 1 April 1896 W'. 6795, P. v. J. 1897 no. 14, W. B. A. 2445 besliste aldus: In den eisch van een ontslagen gemeenteambtenaar tot betaling van traktement, hierop steunend dat het ontslag, als niet gegeven op voordracht van den Commissaris van politie, onwettig zou zijn, heeft de rechter dit laatste te onderzoeken. Hij begeeft zich daardoor niet op het terrein, uitsluitend toebehoorend aan de administratieve macht, daar het besluit tot ontslag, al oordeelt hij het onwettig, onaangetast blijft. — M. a. w. dit wordt als zuiver praejudicieel geschilpunt wel onderzocht, maar hieromtrent wordt geen bindende beslissing gegeven; vgl. Alg. Begins. XIY nos. 6 j°. 4 (aanhef).—

!) De ministerieele beschikking raakte hier wel burgerlijke rechten van derden, die echter niet als zoodanig tegenover de Regeering bestonden, zoodat deze dan ook m. i. geen inbreuk maakte op een burgerlijk recht.

Sluiten