Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorzoover men echter een onwettig gegeven ontslag niet als radikaai nietig moet beschouwen, en dan meent dat het ondanks zijn onwettigheid, een eind maakt aan de ambtelijke verhouding, — is de wettigheid van het ontslag in het geheel niet praejudicieel in een eisch, strekkende niet tot schadevergoeding, maar tot uitbetaling van traktement, als zou eischer nog ambtenaar blijven na het ontslag. Zie hierna het slot van nos. 31 sub e j°. 25.

Bij dit no. 15 sub d vgl. ook hiervóór nos. 5, 10 (2) sub a, en — betreffende traktement van ambtenaren — het in no. 14 sub e vermelde arr. H. R. van 1881.

e. Rb. Maastr. 11 Juni 1857 W. 1867 (j°. 1837), G. st. 301, W. B. A. 424 (423), en het dit vonnis bevestigende arr. Hof Limburg van 2 Nov. 1858 W. 2007, G. st. 372, W. B. A. 492, achtten (beide implicite) de rechterlijke macht bevoegd om te beoordeelen of de intrekking door een gemeente van de vergunning tot het hebben van gasbuizen in de openbare straat, wettig was, — nu zij deze vraag als praejudicieel aanmerkten zoowel ten aanzien der conventie (voldoende-verklaring van een borgtocht), als in de reconventie (eisch tot amotie der buizen, waarvoor de rechterlijke macht implicite competent werd geoordeeld). — Of werkelijk de bedoelde vraag praejudicieel was, kon betwijfeld op grond dat de intrekking, ook als zij onwettig mocht zijn, en dan misschien een eisch tot schadevergoeding rechtvaardigde, — toch niet zou mogen behandeld, als ware zij niet geschied; zie hierna nos. 25 en 27. Vgl. nos. 12 sub c j°. 11 sub b hiervóór.

f. H. R. 24 Jan. 1868 W. 2973, R spr. 88 § 13, v. d. Hon. G. Z. 24 p. 30, R. B. 1868 p. 409, G. st. 855 nam implicite aan dat de rechterlijke macht bestuursdaden mag beoordeelen in den eisch van een koeiendrijver (niet eigenaar), steunende op diens detentie tijdens de inbeslagneming door den Staat, die ze sedert had verkocht, — tegen dezen ingesteld, en strekkende tot teruggaaf, respektievelijk tot schadevergoeding. — Vgl. over de verhouding van dit arrest tot dat van 25 Maart 1870, hiervóór p. 428—429.

g. Hof Suriname 10 Febr. 1858 W. 2294 onderzocht in een actio iniuriarum de wettigheid eener ambtsdaad.

Sluiten