Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h. Vgl. het in no. 12 sub d geciteerde vonnis Rb. Amst. van 13 April 1906 voor de hoofdvordering tot doorhaling.

i. De leer dat de rechterlijke macht de wettigheid van bestuursdaden wèl mag beoordeelen, is bij ons voorgestaan door C. Backer in Bijdr. tot Regtsgel. en Wetgev. 1826 p. 432—440, en 1828 p. 52—62. Zoo ook door H. v. Sonsbeeck, Bijdrage ter regeling van de conflicten van attributie (1841) p. 42, — en Nadere Bijdrage ter regeling van de conflicten van attributie (1842) p. 56. — v. S. onderscheidt daar kennelijk tusschen de beoordeeling van rechtmatigheid en die van doelmatigheid der bestuursdaad. Vgl. het hiervóór in no. 9 sub u vermelde, betreffende de behandeling van het ontwerp de Vries wet R. O. Zie aldaar sub s en t, en hierna in no. 37 sub a—d mede genoemd de schrijvers, die de hier bedoelde beoordeeling van bestuursdaden niet geoorloofd achten. Vgl. nader de slotopmerkingen in § 7 hierna (nos. 35—41) voor de historische ontwikkeling en de kritiek van deze opvatting.

§ 3.

Bizondere onderscheidingen in de jurisprudentie aangenomen ten aanzien van de beoordeeling der rechtmatigheid van bestuursdaden.

1G. Behalve de in de voorgaande nos. aangegeven onderscheidingen, zijn nog de volgende gemaakt bij de in dit no. 16 opgenomen beslissingen:

a. Rb. Maastr. 22 3f 24 Febr. 1843 W. 371, R. B. 1843 p. 517 stelde tegenover elkaar de bestuursdaad zelf en de gebezigde middelen tot uitvoering daarvan. De beoordeeling der eerste (hier een belastingaanslag) droeg de wet — zoo de Rechtbank; zie nu ai't. 15 wet 1845 Stbl. 22 — op aan de administratieve macht. Maar, vervolgt het vonnis, als niet de wettigheid van den aanslag zelf wordt bestreden, doch alléén die van het gebezigd dwangmiddel (inlegering van een krijgsman), dan oordeelt de rechter, als hij dit punt onderzoekt, niet over een akte van bestuur. De ambtenaar, handelend binnen den kring zijner

Lèon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, ati. 1. 28*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten