Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bevoegdheid èn op de wijze hem voorgeschreven door de wet, is niet onderworpen aan de controle des rechters; doch als hij, in strijd met de wet handelend, iemand schade toebrengt, mag de rechter de wettigheid beoordeelen der ambtshandeling, strekkend tot uitvoering eener administratieve akte. — Daargelaten overigens de waarde van de aangehaalde beschouwing der Rechtbank, schijnt althans die der door haar gebezigde tegenstelling ') tusschen administratieve akten en daden der administratie tot uitvoering daarvan (die toch ook bestuursdaden zijn), voor de in dit hoofdstuk behandelde kwestie naar ons recht vrij problematiek.

b. Rb. Gron. 14 Maart 1862 W. 2873, R. B. 1863 p. 806 maakte voor de beoordeeling van bestuursdaden, althans schijnbaar, onderscheid tusschen strafzaken en burgerlijke processen. Echter is dit hierom slechts schijn, omdat in strafzaken geen sprake is van vernietiging der bestuursdaad, door de Rechtbank in burgerlijke zaken niet toelaatbaar geoordeeld (vgl. p. 445 hierna), terwijl de Rechtbank niet zegt dat het bloote „buiten werking laten" eener onwettige bestuursdaad, door haar geoorloofd geacht „met name" in strafzaken, ongeoorloofd zou zijn in een burgerlijk proces. — Vgl. ook hiervóór in no. 6 sub k het daar vermelde vonnis Rb. Leiden van 7 Aug. 1849.

Hierbij zie nog voor het bijzondere geval dat de Alg. wet van 26 Aug. 1822 Stbl. 38 toepasselijk is: Rb. Maastr. 20 Juni 1850 W. 1188, R. B. 1851 p. 252, beslissend dat bij een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige aanhaling en inbeslagneming, het geding, ook al loopt er geen strafvervolging, moet geschorst tot na uitspraak van den strafrechter, omdat wèl deze, doch niet de burgerlijke rechter de rechtmatigheid der aangevallen handelingen zou mogen beoordeelen krachtens art. 247 der geciteerde wet. Vgl. intusschen art. 246 dier wet, art. 4 Sv. en Alg. Begins. XV nos. 1—4.

i) Aan Fransche opvattingen ontleend ? Zie Hauriou, Précis de droit administratif, 5e éd. (1903) p. 201—202, wiens uiteenzetting op de door de Rechtbank gemaakte tegenstelling steunt. Vgl. intusschen 1.1. p. 218 in de noot bij het hier vermelde vonnis.

Sluiten