Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

orgaan van dat gezag in het publiek belang wettig is tot stand gebracht ').

Rb. Gron. 14 Maart 1862, reeds vermeld op p. 442, overwoog aldus: De rechterlijke macht kan wel soms, met name in strafzaken, besluiten of handelingen van elk gezag, ook van administratieve en kerkelijke besturen, onverbindend achten, en inzoover buiten werking laten; maar in burgerlijke zaken mag zij niet zulke besluiten vernietigen of nietig verklaren en buiten effekt stellen, met bevel aan het betrokken bestuur zich in het vervolg daarvan te onthouden. — De Rechtbank schijnt hier van oordeel dat wèl geoorloofd is een zuiver praejudicieele beoordeeling der rechtmatigheid van de bedoelde handelingen, doch niet een bindende onrechtmatigverklaring (gelijk begrepen is in de toewijzing van een eisch tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad; zie hieronder sub e, hierna nos. 37 sub ƒ en 38, alsmede Alg. Begins. XV no. 13 en XIX no. 9).

Ygl. ook het p. 53 en 420 hiervóór vermelde arrest H. R. van 1875, in het gegeven geval niet ter zake dienend achtend

!) Hier steunde de eisch op overeenkomst, niet op art. 1401 B. W. Dat bij een op dit artikel gebaseerde vordering de schadevergoeding kan bestaan in herstel der begane onwettigheid door alles terug te brengen in den vorigen toestand, wat de rechter krachtens genoemd artikel ook kan opleggen aan het openbaar gezag, is aangenomen door II. R. 13 Maart 1903, p. 428 geciteerd; zie dit arrest met de beslissingen a quo op Alg. Begins. XIX in no. 9. Aldaar ook nader omtrent de hier in den tekst vermelde van Hof en Rb. Amst.

De vraag kan gesteld, of ten opzichte van het ongedaan maken van bestuursdaden door den rechter, niet is te onderscheiden tusschen zulke daden (in den zin van daden, uitgaande van een bestuur, dat als zoodanig optreedt), die óók door partikulieren kunnen verricht, en andere; — met dit gevolg dat voor de eerste soort tegenover het bestuur hetzelfde geldt als tegenover partikulieren, ook zoo ze onrechtmatig zijn niet enkel naar privaat recht, doch mede naar publiek recht (dus daargelaten het geval van botsing tusschen publiek- en privaatrecht; zie op art. 2 R. O. sub B § 4). — De mogelijkheid dat de begane onrechtmatigheid verreikende gevolgen heeft gehad, wier opheffing niet wenschelijk is, kan zich ook voordoen bij daden, van partikulieren afkomstig. Voor de eventualiteit dat er redenen zijn van algemeen belang tegen het ongedaan maken der daad, kan de wet voorzieningen treffen.

Sluiten