Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

425; Rb. Middelb. 20 Okt. 1880, hiervóór p. 413, en Rb. Gron. 14 Maart 1862, p. 442 en 445 geciteerd. Ygl. ook Rb. Sneek 12 Maart 1851, p. 444 geciteerd, en voorts de in denootoppag. 418 hiervóór vermelde dissertatie van Yos p. 245, alsmede Hof Luik 4 April 1877, geciteerd bij J. A. Levy, Admin. Rechtspraak p. 165.

Het is duidelijk dat wie bezwaar heeft om te erkennen dat de rechter ten aanzien der rechtmatigheid van bestuursdaden een de administratie bindende beslissing geven mag, daarom nog niet eveneens de niet bindende beoordeeling den rechter behoeft te ontzeggen. Dit laatste heeft slechts goeden zin, als de rechter öf de . daad per se als verbindend moet erkennen, zoodat de vraag naar haar rechtmatigheid voor hem niet praejudicieel is, öf wel het geding kan schorsen totdat over de rechtmatigheid is beslist door wie daartoe dan wèl bevoegd is. — Zie overigens omtrent het belang der hier sub e aangegeven onderscheiding, hierna no. 37 sub f j°. no. 38.

Bij dit no. 16 vgl. ook nos. 39 en 40.

§ 4.

Beoordeeling door den rechter der wettigheid van daden van voluntaire jurisdiktie.

19. a. Daden van voluntaire jurisdiktie zijn een speciaal soort door den rechter verrichte bestuursdaden in dien engeren zin van het woord, welke niet omvat de rechterlijke uitspraken tot beslissing van geschillen. De laatste, als vaststelling in concreto van rechtsbetrekkingen naar het objektieve recht, hebben gezag van gewijsde, de eerste niet; vgl. Alg. Begins. II no. 2. Voor daden van voluntaire jurisdiktie zal dan ook, wat de beoordeeling harer rechtmatigheid door den rechter betreft, hetzelfde moeten worden aangenomen als voor handelingen der administratie. Zoo geldt m. i. ook voor eerstbedoelde dat naar de competentie tot de daad, het onderzoek — waarvoor hier wel nooit een ander bij uitsluiting zal zijn aangewezen — den rechter in een later

Sluiten