Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

proces moet openstaan; vgl. § 1 hiervóór en no. 37 sub f hierna. — Echter is de jurisprudentie hieromtrent verdeeld; zie Alg. Begins. VI no. 13. Het daar op p. 20 geciteerde arrest H. R. van 17 Juni 1881 motiveerde hiermee dat de rechter beslist over eigen competentie. Intusschen, al moge dit argument opgaan voor de eigenlijke rechtspraak, waarin een geschil bindend wordt beslist, en dan insgelijks dat over de competentie (vgl. op art. 1 R. O. sub D no. 1), — bij de voluntaire jurisdiktie is er m. i. evenmin reden om een bindende beslissing over de competentie aanwezig te achten, als waar de administratie haar eigen competentie heeft aangenomen (vgl. ook hierna no. 33). Juist omdat de voluntaire jurisdiktie geen eigenlijke rechtspraak is, wordt daarbij geen bindende beslissing over bestaande rechtsbetrekkingen gegeven, en is er geen gezag van gewijsde.

b. Bij de op p. 21 dezer Inleiding vermelde beslissingen') betreffende de vraag of de materieele wettigheid eener daad van voluntaire jurisdiktie door den rechter mag worden onderzocht, zijn nog de hier onder c—e volgende te voegen. Ook is daarbij te vergelijken no. 31 hierna, waaruit blijkt dat beslissingen, die aan een onwettige benoeming in het gegeven geval niet alle rechtsgevolg ontzeggen, nog niet om die reden kunnen geacht implicite de leer te huldigen, dat de rechter de bedoelde wettigheid nooit zou mogen onderzoeken.

c. Door 'sHofs benoeming van iemand tot deurwaarder niet als wettig te erkennen, en hem tot de eedsaflegging niet toe te laten, heeft de Rechtbank die benoeming niet buiten effekt gesteld, en geen overschrijding van rechtsmacht begaan. Zij was verplicht de wettigheid der benoeming [als geschied wel naar aanleiding, doch niet uit een gedane voordracht] te toetsen,

!) Het arrest van 4 Juni 1880 gold meer een informaliteit ter gelegenheid eener benoeming begaan, dan de wettigheid der benoeming zelf. Vgl. no. 28 hierna. — Dit arrest is èn in de concl. O. M. vóór het op p. 20 vermelde arr. H. R. van 1881 èn op p. 21 hiervóór abusievelijk geciteerd. Dus moest ook óp p. 21 v. o. met zijn gesproken van „de ... leer van den H. R.".

29

Sluiten