Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

alvorens den eed te doen afleggen. — Zoo H. R. 31 Maart 1854 R.spr. 47 § 40, v. d. Hon. G. Z. 12 p. 147.

Dit arrest betrof niet enkel de kwesties, of de wettigheid eener benoeming op de eedsaflegging van den benoemde van invloed kan zijn, en of in het algemeen de wettigheid van daden der voluntaire jurisdiktie in een volgend proces, waar zij ter zake dienende is, door den rechter kan onderzocht, — doch nu speciaal de vraag of dit laatste kan geschieden buiten proces, bij een andere daad van voluntaire jurisdiktie. Ook op dit punt zal m. i. hetzelfde moeten gelden voor den rechter, die hier optreedt, als voor de administratie. Beide behoeven zich niet neer te leggen bij een h. i. onwettige daad, hetzij van eigenlijke administratie, hetzij van voluntaire jurisdiktie, als missend gezag van gewijsde '). Vgl. Alg. Begins. VI no. 12 jo. II no. 2.

In anderen geest dan het zooeven vermelde arr. H. R. van 1854, ten aanzien van de vraag of ook in voluntaire jurisdiktie bestuursdaden (hier van de administratie) kunnen getoetst, —Adv.Gen. J. de Bosch Kemper in concl. voor Hof N.-Holl. 6 Okt. 1845 W. 671 (het arrest zelf in W. 665), R.spr. 28 § 88, R. B. 1845 p. 738, betreffende de beëediging van een makelaar door de Rechtbank krachtens art. 62 lid 2 W. v. K. Op motief dat dit niet tot de eigenlijke rechtspraak behoort, was de Adv.-Gen. van meening dat de Rechtbank haar macht zou te buiten gaan

!) Zie over de vraag, of het toetsingsrecht voor bestuursdaden enkel toekomt aan den rechter in een proces, of mede aan de administratie, ten opzichte van verordeningen, no. 21 sub c— d j's. nos. 19 sub c en 21 sub a. — Inzoover staan administratie en voluntaire jurisdiktie hier niet op één lijn, dat de rechter een onafhankelijk Staatsorgaan is, terwijl de uitvoerende ambtenaren zich hebben te gedragen naar hetgeen hun wordt voorgeschreven door hun superieuren. En ook staat het uitvoerend gezag tegenover verordeningen niet even zelfstandig als de rechter. Vandaar bepalingen als art. 32 i. f. Prov. wet en art. 70 lid 4 Gem.wet, die m. i. echter niet buiten haar grenzen mogen uitgebreid, en dan ook niet pleiten tegen het hier in den tekst gezegde over de administratie in het algemeen; vgl: ook artt. 32 lid 2 en 70 lid 2 der zooeven genoemde wetten. — Zie voorts de eerste noot op no. 21 sub c hierna, en no. 31 sub c i. f.

Sluiten