Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgend proces. — Een gelijke strekking schijnt te moeten toegekend aan de overweging van Rb. Alkmaar 25 Juni 1908 W. 8799 dat de voogdij benoeming, welker onwettigheid partij beweerde, tegenover haar in kracht van gewijsde was gegaan. — Zie in anderen zin de litteratuur, vermeld sub Alg. Begins. II no. 2, alsmede Hof Arnhem 18 Jan. 1906 W. 8532 '), Hof Geld. 29 Juni 1854 W. 1560, R.spr. 55 § 71, en Rb. Utrecht 24 Maart 1847 W. 857, R. B. 1847 p. 297. Vgl. ook Hof 's-Grav. 4 of 21 Febr. 1905 P. v. J. 458.

§ 5.

Rechterlijk toetsingsrecht voor verordeningen 2).

18. a. De vraag in hoever de rechter de wettigheid van bestuursdaden mag beoordeelen, hangt nauw samen met die naar 's rechters toetsingsrecht voor verordeningen 3). Zelfs is de laatste vraag slechts een onderdeel der eerste, ingeval aan den term bestuursdaden de ruime beteekenis wordt gehecht, waarin hij ook daden van wetgeving omvat. In den regel echter worden er slechts daden van administratie onder verstaan. Zoo onderscheidt C. A. den Tex in Ned. Jaarb. voor Regtsgel. en Wetgev. 1842 p. 482 j°. nt. 1 aldaar, tusschen daden van administratie, waarvan de beoordeeling volgens hem aan de rechterlijke macht niet toekomt, — en daden van wetgeving (verordeningen), waarvoor hij het rechterlijk toetsingsrecht erkent. — Hetzelfde standpunt is ingenomen door Chauveau-Adolphe, Principes de Compétence I (1841) nos. 482-483 (p. 135—136) jis. n0s. 534-536 (p. 152-153).

Het rechterlijk toetsingsrecht wordt voor verordeningen in beginsel erkend door onze jurisprudentie, die zich heeft gevormd naar aanleiding van art. 11 wet Alg. Bepal.; zie op dit artikel.

!) Nader te vermelden in het Supplement op Alg. Begins. II no. 2.

2) Dit woord wordt hier niet gebruikt in den uitgebreiden zin van art. 150 Gem.wet.

3) Zijn (on)bevoegdheid tot toetsing der wet aan de Grondwet wordt beheerscht door art. 121 Grw., en blijft hier geheel onbesproken.

Sluiten