Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heid in deze is gegrond op het praejudicieel karakter van bedoeld onderzoek, ligt de petitio principii dat de wettigheid der verordening per se praejudicieel is voor den rechter. Waar echter het onderzoek hiernaar hem mocht zijn ontzegd, daar is de wettigheid voor hem geen onderwerp eener praejudicieele kwestie, omdat hij in die onderstelling de verordening ook dan heeft toe te passen, als ze onwettig mocht zijn. (Ygl. het hiervóór p. 183 v. o. gezegde over art. 150 Gem.wet). Dit geval doet zich volgens hen, die de iure constituto het toetsingsrecht voor verordeningen ontkennen, steeds voor, als de wet dit recht niet bepaaldelijk erkent (vgl. in dien zin concl. O. M. vóór Hof Leeuw. 28 Sept. 1891 in W. 6060). — Volgens de jurisprudentie echter van den H. R., die voor de wettigheid van verordeningen het rechterlijk toetsingsrecht wèl erkent, moet er integendeel, zal het niet gelden, een bizondere grond daarvoor zijn aan te wijzen 1). Deze laatste is voorhanden, voorzoover een speciale wetsbepaling, zij het implicite, de beantwoording der vraag over haar toepasselijkheid overlaat aan het eindoordeel van hen, die de verordening hebben te geven; vgl. Alg. Begins. XVII nos. 2—9, 24 en 25. Eveneens is er een bizondere grond om het toetsingsrecht den rechter te ontzeggen, waar de wetsbepaling in kwestie slechts bedoelt te zijn een voorschrift, welks niet-naleving geen onverbindbaarheid meebrengt, wat speciaal (doch niet alléén) het geval kan zijn bij z.g. instruktienormen. Ygl. hierna nos. 21 sub c en d, en 24.

b. De vraag of juist is de zienswijs van den H. R., die toetsingsrecht erkent, als het niet is uitgesloten, dan wel de opvatting dat het is uitgesloten, waar het niet is toegestaan, — is te herleiden tot deze andere: lo. zijn er wettelijke voorschriften (b.v. art. 11 wet Alg. Bep.), die het toetsingsrecht algemeen uitsluiten, en, zoo neen, 2°. ligt dit laatste in den aard der verhouding van den

!) Speciale wetsbepalingen in dien geest zijn b.v. art. 171 Prov. wet, art. 156 en — het den formeelen bevoegdheidskring betrelfende — art. 150 lid 2 Gem.wet. (Vgl. ook no. 21 sub d i. f. hierna). Zie echter eene andere opvatting der twee eerstgenoemde artikelen bij Fresemann Viëtor in Bijdr. St.-best. 12 p. 13.

Léon: Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 29*

(Mr. L. van Praag, Hecht. Org.)

Sluiten