Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dit niet aanwezig is, kan niet gezegd dat de rechter niet rechtspreekt volgens de wetsbepaling, — wier toepassing in het. gegeven proces dan evenmin voor hem in aanmerking kan komen, als die van welk voorschrift ook, dat buiten de door hem te beslissen kwestie staat. — Onjuist is m. i. de voorstelling van

de Bosch Kemper, Handl Ned. Staatsregt, ed. 1865

p. 236 midd., en van Fresemann Viëtor in Bijdr. St.-Best. 12 p. 18-19, als ware er hier antinomie. Bij werkelijke antinomie zijn toepasselijk artt. 150 lid 2 of 151 Gem.wet, respektievelijk artt. 141 of 142 Prov. wet; of wel (thans) art. 3 wet 20 Juli 1895 Stbl. 139.

Aanvaardt men de in dit en het vorige no. verdedigde meening dat art. 11 wet Alg. Bep. de vraag naar het toetsingsrecht in den regel onbeantwoord laat, dan vervalt ook het argument van Oppenheim (geciteerd in no. ] 8 hiervóór) p. 382—383, steunend op dit artikel — z. i. enkel geschreven voor de gewone rechterlijke macht —, om het toetsingsrecht te ontzeggen b.v. aan Ged. Staten, waar deze als rechter beslissen. — Zijn andere argument daarvoor, dat n.1. in het systeem van Prov. en Gem.wet Ged. St. hier toch administratieve funktiën verrichten, kent, dunkt mij, aan de theoretische opvatting des wetgevers *) in deze te veel kracht toe; vgl. Alg. Begins. I no. 1 i. f. (Vgl. hieibij ook de noot op p. 450 hiervóór). — Als Oppenheim, ook G. St. 2707 p. 1 kol. 3 en Ged. Staten Z.-Holl. Nov. 1893 W. B. A. 2833 p. 1 kol. 3. Anders Red. in W. B. A. 2832 en G. St. 2907 sub 1°. (vgl. hierna no. 31 sub c).

b. Het argument der voorstanders van het toetsingsrecht, geput uit art. 5 wet Alg. Bep., klemt zich vast aan de redaktie van dit aitikel („kracht verliezen"), welke, overeenstemmend met die van art. 14 derzelfde wet, doet denken dat art. 5 ook ziet op het derogare en niet enkel op het abrogare. Maar toch

') Overigens is het nog de vraag of in het systeem, waarvan bedoelde wetten uitgaan, niet toch de nadruk moet vallen op het »rechterschap«; vgl. Tiiorrecke en de Mem. v. Toel. op de Prov. wet, geciteerd hierna in no. 37 sub f tegen het einde.

Sluiten