Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is x) aan een niet door algemeen erkende 2) eischen van strikte rechtvaardigheid of noodzakelijkheid geboden onwettige overlieidsdaad, — zoo niet anders is bepaald, hetzij door het gezag, welks voorschrift .is overtreden, hetzij door hooger gezag. — Vgl. hierbij H. R. 10 Mei 1901, op p. 428 vermeld: De ... verordening staat niet boven de wet, maar is daaraan ondergeschikt.

der wet, n.1. inzoover hij geen strafbare daden begaat (waaromtrent vgl. art. 43 Swb. en Smiüt op dit artikel), en mits hij redelijkerwijs zijn superieur competent kon achten. — Vgl. G. A. v. Hamel in T. v. S. I p. 375—380, speciaal p. 378, waarbij is aan te teekenen dat in artt. 180 enz. Swb. »rechtinatige<ï niet ziet op de bovenbedoelde relatieve rechtmatigheid tegenover de superieuren, maar op de verhouding van den ambtenaar tegenover den beklaagde. — Vgl. ook hiervóór no. 17 en de noot aldaar p. 450, alsmede die op p. 455.

!) Anders b. v. Tezner, Die deulsche Theorieen der Verwaltungsrechtsptlege (1901) p. 94, en II. de Ranitz, geciteerd hieronder p. 462 nt. 2.

2) Bedoeld wordt dat hierover redelijkerwijs geen verschil van meening kan bestaan, in welk geval alléén ook de rechter zich m. i. voor die noodzakelijkheid heeft te buigen. — Voert men hiertegen aan dat óók de vraag of er redelijkerwijs geen meeningsverschil mogelijk is, niet objektief kan beantwoord, en zelf dus weer verschil van opvatting kan doen rijzen, dan moet dit wel is waar worden toegegeven. Maar juist daarom zal het inzicht van den rechter te dezen aanzien beslissend dienen te zijn. Volmaakte rechtszekerheid is nu eenmaal niet te bereiken, en in de meeste gevallen zal het hier aangegeven subjektieve kriterium — dat ook de bezwaren ondervangt van Stier-Somlo in Staatsrechtliche Abhandlungen, Festgabe für Laband (1908) II p. 481—488 — in de praktijk ook wel voldoende zijn. Waar dit anders is, zal de rechter ook niet mogen aannemen dat er geen ruimte is voor redelijken twijfel, al acht hij zelf dien niet gewettigd. Reeds op dien grond kan tegen het hier gezegde niet als argument gelden dat de rechter zoodoende zou hebben te beslissen over de noodzakelijkheid, en dus over de wenschelijklieid van verordening of administratieven maatregel. Buitendien is in dit geval de reden niet aanwezig, die tot onttrekking der doelmatigheidsvraag aan rechterlijke beoordeeling noopt; vgl. Alg. Begins. XVII no. 22 A aanhef j°. B sub g. — Een toepassing van de hier bedoelde uitzondering is m.i. metterdaad de jurisprudentie, hierna in no. 24 vermeld, over de veepestverordeningen, wier handhaving door de omstandigheden gebiedend vereischt werd ; vgl. Buys, De Grondwet II p. 97—99. — Zie verder hieronder sub d.

Sluiten