Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een met de wet strijdige verordening verbindt1) niet, zoodat van een overtreder daarbij geen sprake kan zijn.

d. Vraagt men naar de reden, waarom in het algemeen (dus afgezien van de op p. 461 aangegeven uitzonderingen) de burgers aan een onwettige overheidsdaad geen gehoorzaamheid verschuldigd zijn, dan moet m. i. geantwoord dat voor hen de plicht tot gehoorzaamheid zijn gienzen moet vinden in die, naar het eigen landsrecht gesteld aan de bestuurders zelf 2). -„Als leden van [het]

1) J. Pu. Suyling, Gritische Rechtswetenschap en Volkenrecht (1907) p. 18, 21 en 37 ontkent de bindende kracht van het recht. Daaronder verstaat hij op p. 37 blijkbaar een binden zóó dat men er zich niet tegen k;ïn verzetten. Naar het gewone spraakgebruik echter beteekent zij enkel dat men zich er niet tegen verzetten mag. En zoo vat ook S. het p. 18 op. S.'s eigen theorie op p. 21 komt m. i. bij slot van rekening hierop neer dat rechtstoepassing zonder vrijwillige onderwerping louter machtsoefening is. Die theorie vermoordt m. i. het recht. Een niet bindend recht is, dunkt mij, een contradictio in terminis. Recht (zoowel het objectieve als het subjectieve) zonder korrelate verplichting, d. w. z. gebondenheid, is m. i. ondenkbaar.

2) Vgl. ook Krabbe (p. 456 hiervóór geciteerd) p. 95 sub Hoi', f. ja. p. 151 v. b., en G. A. v. Hamel in T. v. S. I p. 292-293. - Anders hieromtrent H. be Ranitz in T. v. S. IV p. 430 en 434. Hij meent dat gehoorzaamheid verschuldigd is aan elke regeling totdat ze is vernietigd, en aan elke «plichtmatige® ambstuitoefening, doch tevens dat men zich desniettemin bij den rechter kan beroepen op vermeende onwettigheid van regeling of ambtsdaad. Dit kan m. i. buiten dienst- of ambtsverband enkel opgaan, waar om bizondere redenen een wettelijk voorschrift bepaalt dat men eerst moet gehoorzamen, dan reklameeren; doch niet als regel voor vrije burgers. Vgl. hieina no. 33 jis. nos. 31 en 32, beide sub c, alsmede de (p. 454 hiervóór geciteerde) dissertatie van Prins p. 58. Zie ook de eerste noot hierboven sub c, alsmede W. B. A. 2825 p. 2 kol. 2 v. o. tegen 1.1. 2815 p. 1 kol. 1 v. 0.— De opvatting van H. be Ranitz komt overeen met die, verkondigd 0. a. door L. v. Stein, Die Verwaltungslehre I (1869) p. 330—339 jis. p. 405—406. Ten onrechte intusschen beweert deze 1.1. p. 332 sub a, dat wie gehoorzaamheid weigert aan een administratieven maatregel wegens onwettigheid, zich tot rechter over het administratief gezag opwerpt.

Ook W. Jellinek (p. 443 hiervóór geciteerd) huldigt de opvatting dat, is een bevel niet radikaal nietig, daaraan door den burger gehoorzaamd moet worden zoolang het niet is opgeheven. Vgl. 1.1. p. 146 nt. 1 jis. p. 46, 52, 149 en 173 nt. 2 (waaromtrent zie hierna no. 33 i. f.). Slechts strafbare bevelen

Sluiten