Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Staatsorganisme hebben de ingezetenen aanspraak om overeenkomstig zijn regels geregeerd te worden, om aan geen andere verplichtingen onderworpen te worden dan hun [mogen worden] opgelegd". Zoo S. M. S. de Ratcitz in Themis 1861 p. 260—261x).

— Zou het gezag, en speciaal zou een wetgever, die, buiten het geval van strikte noodzakelijkheid 2), eigen verplichting tot inachtneming der wet van hooger gezag in denzelfden Staat niet nakomt,

— voor zijn onwettige bevelen, anders dan krachtens bizondere bepaling van hooger gezag, wèl nakoming kunnen verlangen van hen, die niet tot hem staan in dienst- of. ambtsverband ? Zoo ja, dan zou de autonomie kunnen ontaarden tot een anarchistische soevereiniteit in eigen kring3). Wel is het vernietigingsrecht der Kroon mede bestemd daartegen te waken, maar menige onwettige bepaling ontsnapt aan de aandacht der Regeering, afgezien nog van mogelijke laksche uitoefening van het vernietigingsrecht om politieke redenen.

Moet daarom het toetsingsrecht den rechter zijn toegekend 4),

zondert hij uit (1.1. p. 113) en zegt daarvan : »Das Staatsorgan, das seine Befehlsgewalt ausnützt, urn rechtswidrig auf die Welt der Tatsachen einzuwirken, verdient keinen Gehorsam«. Vgl. ook 1.1. p. 20: »die Gehorsamspflicht... tritt... kraft Gesetzes eins. Zou deze stelling niet moeten leiden tot de hier in den tekst verkondigde leer ?

!) De tusschen [] geplaatste woorden zijn door mij aldus gewijzigd. Overigens staat de geciteerde zinsnede bij de Ranitz in een ander verband.

2) Dat een onwettige verordening zou worden geboden door eischen van strikte rechtvaardigheid, schijnt vrijwel ondenkbaar.

3) Vgl. ook J. A. Levy in De Tijdspiegel 1909 speciaal p. 13 (citaat Laband) en p. 10 i. f. (citaat v. Gerber). Hierbij zie W. Rosenberg in Z.schr. f. die ges. Staatswissensch. 65 (1909) p. 57 vlgg. —■ In Levy's eigen terminologie (1.1. p. 1 en p. 5) beteekent autonomie weer wèl hetzelfde als souvereiniteit of hetgeen hij daar noemt zelfstandigheid.

4) Dit recht is voor den strafrechter — daargelaten de gewone gevallen, waarin het telkens wordt aangewend — onmisbaar bij de toepassing der artikelen in ons Swb., die van «wettelijk voorschrift« spreken. Daaronder toch kunnen onwettige verordeningen niet worden begrepen; vgl. G. A. v. Hamel, Inleid.... Ned. Strafrecht 2. ed. (1907) § 31 no. 4 p. 288, speciaal ten opzichte van art. 42. Voor art. 184 volgt het ook uit de ratio legis. Maar hetzelfde zal

Sluiten