Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het belemmeren van vrijen in-, uit- en doorvoer: (R) art. 136 lid 3 Grw. (vgl. art. 131 lid 3 Grw. 1848) j0. art. 126 octies lid 1 (vgl. art. 139 oud) Prov. wet; (2<>.) art. 147 lid 3 Grw. (art. 142 lid 3 Grw. 1848) j°. art. 237 Gem. wet.

Dat eerstgenoemde artikelen niet zijn bepalingen van stellig recht, maar een beginsel voor Prov. Staten, met gevolg dat de vraag of zij dit beginsel uit het oog hebben verloren, betreft de innerlijke waarde hunner verordening, bij art 11 wet Alg. Bep. aan 's rechters onderzoek onttrokken, — is beslist door

H. R. 29 Mei 1866 W. 2804, R.spr. 83 § 16, v. Hon. G. Z. 22 p. 295, R. B. 1866 p. 346, G.st. 772, W. B. A. 891, casseerend Hof Friesland 20 Maart 1866 W. 2787, G.st. 763, W. B. A. 882 (876). Zoo ook door een arrest van den H. R. van denzelfden datum (niet in de verzamelingen opgenomen), de cassatie verwerpend tegen Hof Geld. 27 Maart 1866 vermeld op p. 346, waarbij was vernietigd Rb. Arnhem 24 Febr. 1866 G.st. 754, W. B. A. 873. Verder door H. R. 19 Sept. 1866 W. 2841, R.spr. 83 § 40, v. d. Hon. G. Z. 22 p. 369, R. B. 1867 p. 582, W. B. A, 909, verwerpend de cassatie tegen een arrest van Hof Friesland, waarbij was vernietigd het in tegengestelden zin gewezen vonnis van Rb. Heerenveen 20 Maart 1866 W. 2799, G.st. 758, W. B. A. 878. Evenals dit laatste vonnis Ktg. I Amst. 9 Maart 1866 W. 2782, G.st. 762, W. B. A. 880. Als de H. R. ook Hof Drenthe 17 of 18 Juli 1866 W. 2895, R. B. 1867 p. 275, G.st. 817. De H. R. had bij arrest van 18 Nov. 1862, op p. 346 vermeld, casseerend Hof Drenthe 11 Aug. 1862 W. 2474, G.st. 606, W. B. A. 726, — en bij dat van 21 April 1863 (mede t. a. p. vermeld), casseerend Hof Drenthe 22 Jan. 1863 G.st. en W. B. A.

I.1., — art. 11 wet Alg. Bep. geschonden geacht, op grond dat Prov. Staten bevoegd waren het onderhavig reglement vast te stellen, en dit door den Koning was goedgekeurd. — Vgl. ook de conclusies van Adv.-Gen. Kakseboom vóór de genoemde arresten van 18 Nov. 1862 en 29 Mei 1866, — die de bedoelde bepaling onzer organieke wetten een suasorium noemde. In gelijken geest, speciaal voor art. 136 lid 3 Grw., Adv.-Gen. Lede-

Sluiten