Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boer vóór H. R. 8 Febr. 1909 W. 8824, P. v. J. 834, W. B. A. 3134.

Implicite anders dan bovenvermelde arresten van den H. R., dat van 24 Augustus 1841 W. 231, R.spr. 8 § 74, v. d. Hon. G. Z. 2 p. 213, R. B. 1841 p. 385,. W. B. A. 53 naar aanleiding van art. 145 Grw. 1840, — in welke zaak het reglement echter geldig werd geacht.

Voor art. 237 Gem. wet in gelijken zin als voormelde jurisprudentie van den H. R. op de Prov. wet: Hof Leeuw. 23 Sept. 1891 AV. 6086 (concl. O. M. in AV. 6060), P. v. 1891 no. 86, G.st. 2093, AV. B. A. 2214, vernietigend het in tegengestelden zin gewezen vonnis van Rb. Leeuw. 23 Jan. 1890 W 5915; dit arrest op ovei'weging dat de wet hier geen kenmerken stelt, en dus geen positief recht inhoudt. In denzelfden geest ook Rb. Assen 8 April 1878 AV. 4310, R. B. 1878 D p. 70, welk vonnis wel betrekking had op een overeenkomst, door de gemeente aangegaan, — maar toch voor de onderstelling dat art. 237 Gem. wet toepasselijk zou moeten geacht, overwoog gelijk de H. R. in de hierboven geciteerde arresten. Mede in dien zin voor art. 237 voornoemd de concl. O. M. vóór H. R. 25 Jan. 1897 AV. 6923, R.spr. 175 § 19, v. d. Hon. Bel. 14 p. 77, P. v. J. 1897 no. 15. Weifelend op dit punt de concl. O. M. vóór H. R. 13 April 1908 AV. 8695, R.spr. 208 § 82, P. v. J. 757.

Vgl. hierbij het opgemerkte in Voorl. Verslag Tweede Kamer op art. 137 oorspr. Reg.-Ontw. Prov. wet, Bijln. Hand". 1849— 1850 p. 335, en Mem. v. Antw. 1.1. p. 376.

De jurisprudentie van den H. R. in deze is bestreden door G. v. Oosterwijk in nt. 1 op p. 1286 zijner uitgaaf van Boissevain, De Gemeentewet (1864), en door F. B. Coninck Liefsting in Bijdr. St.-Best. 12 p. 393—394. v. Oosterwijk voert aan dat staathuishoudkundige voorschriften, in de wet opgenomen, daardoor worden bepalingen van stellig recht. Zoo ook Gem.st. 588.

De leer van den H. R. wordt goedgekeurd door Buys, De Grondwet II p. 96—99. — Vgl. over een analoog geval Tezner, Zur Lehre von dem freien Ermessen... (1888) p. 37. Zie ook O. Mayer, Deutsches Verwaltungsrecht I p. 93—94.

Sluiten