Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. De juistheid der zooeven vermelde opmerking van v. Oostenwi.jk (die intusschen meer de motiveering van den H. R. treft, dan de beslissing zelf; vgl. hieronder p. 470) schijnt mij eigenlijk moeielijk betwistbaar. Onzuiver is dan ook m. i. de tegenstelling door den H. R. gemaakt tusschen beginselen voor Prov. Staten en bepalingen van stellig recht. De uitdrukking beginselen voor Prov. St. herinnert aan hetgeen men tegenwoordig instruktienorm noemt ')• Terecht zegt H. Krabbe, Adm. Rechtspraak p. 33 dat óók instruktienonnen rechtsnormen zijn (bepalingen van stellig récht).

Krabbe wijst er 1.1. p. 68—71 nog op dat instruktienormen niet [behoeven te] beteekenen dat het eindoordeel over de vraag, of voldaan is aan hetgeen zij voorschrijven, zou zijn overgelaten aan hem tot wien ze zijn gericht. In Krabbe's geest ook C. C. v. Bosse (hiervóór op p. 405 geciteerd) p. 32—35. — Dat in het hier behandelde geval bovenbedoeld eindoordeel toekwam aan het administratief gezag, schijnt echter de meening van , hen, die in toetsing der verordening aan den wettelijken norm zien een beoordeeling der wenschelijkheid, of, zooals dan gezegd wordt, der innerlijke waarde en billijkheid van de verordening; vgl.

1) Vgl. over de onderscheiding tusschen ivaarborg- en instruktienormen Krabbe, Admin. Rechtspraak (1901) p. 23 38 ,fs p. 68—71 en 81—82, en tegen hem Roëll en Oppenheim in R. Mag. 21 (1902) p. 3—8. Vgl. verder Krabbe, Die Lehre der Rechtssouveranitat (1906) p. 19—20; J. A. Levy, Admin. Rechtspraak (1886) p. 192—195 en p. 237—239; J. W. H. M. v. Idsinga, het Verslag der Staats-Commissie (1899) p. 21; A. R. Arntzenius in Themis -1902 p. 505—507; G. G. v. Bosse (p. 405 hiervóór geciteerd) p. 44—49 ja. p. 32 en p. 50 —53; Laferrière tp. 401 hiervóór geciteerd) II, le éd. (1888) p. 396- 397 ; O. Maïer, aangehaald hierboven in den tekst sub a i. f., en Tezner (p. 461 hiervóór geciteerd) p. 88—89, 118 v. o. — De kritiek van' Krabbe, Adm. R.spr. p. 24—27 treft enkel v. Sarwey's motiveering voor de onderscheiding, niet deze zelf. — Ten onrechte m. i. identificeert Krabbe 1.1. p. 30—31, 35—36 de vraag naar den maatstaf voor bedoelde onderscheiding, met die of over een bepaalden norm rechtspraak toe laatbaar is, welke laatste vraag overigens m. i. slechts te pas kan komen bij een enumeratieve competentieregeling.

Sluiten