Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hierboven sub a de in dien zin gewezen beslissingen. Deze laatste opvatting is intusschen m. i. zeer betwistbaar.

Zij is ook gehuldigd voor art. 243 lid 1 oud Gem.wet, door Hof Amst. 25 Sept. 1891, nader te vermelden op Alg. Begins. XVII no. 25 sub b, — en voor art. 175 Grw. door Hof N.-Holl. 14 Okt. 1858, geciteerd bij Léon—Levy no. 2 ') op dit grondwetsartikel, alsmede door Rb. Breda 10 Sept. 1908 W. 8767, W.B. A. 3094. Vgl. in deze laatste zaak, in cassatie, de p. "466—467 vermelde concl. O. M. vóór H. R. 8 Febr. 1909. Die conclusie noemt art. 175 Grw. een beginselverklaring, tot richtsnoer voor den wetgever, en meent dat de vraag of deze bedoeld beginsel heeft verzaakt, bijna altijd zal betreffen de innerlijke waarde der verordening, terwijl alleen bij zoo plompe persoonlijke bevoorrechting dat overtreding van art. 175 is aan te toonen, aan de rechterlijke macht de bevoegdheid niet kan ontzegd een verordening aan gemeld artikel te toetsen. — Op deze wijze wordt echter de beantwoording der vraag: mag de rechter onderzoeken of art. 175 is overtreden, afhankelijk gesteld daarvan, of blijkt dat het artikel overtreden is! Zou het niet juister zijn te zeggen dat de rechterlijke macht steeds bevoegd is tot bedoeld onderzoek, doch in de meeste gevallen tot het resultaat zal moeten komen dat de beweerde overtreding niet voldoende is bewezen ?

Voor art. 243 lid 1 oud Gem.wet kon echter op andere gronden dan de hierboven aangeduide worden aangenomen dat het boven omschreven eindoordeel toekwam aan het administratief gezag ; zie Alg. Begins. XVII no. 45 sub c 2) j°. 25 sub 6. Vgl. ook aldaar nos. 25 sub a en 24 omtrent artt. 254 lid 1 oud en 192 j°. 193 eerste zinsnede Gem.wet.

1) Bij dat no. 2 vgl. ook no. 1 aldaar, waar H. R. 24 Juni 1857 moet zijn ; H. B. 23 Juni 1857. — Over art. 175 Grw. vgl. hier Boys, De Grw. II p. 590, 592—595 ja. p. 597 v. o., waarbij zie 1.1. I p. 125 v. o.

2) Dat onder de daar aangeduide uitzondering ook zou kunnen gebracht het geval der veepestverordeningen, schijnt mij op zijn minst zeer dubieus toe.

Sluiten