Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. Als een wettelijke bepaling, wier niet-naleving geen radikale nietigheid meebrengt, schijnt implicite aangemerkt art. 126 sexies Prov. wet 1), voorzoover koninklijke goedkeuring der daar bedoelde verordeningen koppelend aan het vereischte der mede daar vermelde evenredigheid, — door Rb. Breda 10 Sept. 1908, geciteerd op p. 469. Immers kan men zeggen dat zulk een goedkeuringsbesluit, genomen zonder dat de wettelijk voorgeschreven evenredigheid aanwezig is, als onwettig moet beschouwd, en dat, — bracht die onwettigheid radikale nietigheid mee, de verordening voor rechtens niet goedgekeurd, dus niet verbindend, zou moeten gehouden. — De Rechtbank nu overwoog dat het niet tot de bevoegdheid des rechters behoort, om te beoordeelen of de koninklijke goedkeuring al dan niet terecht plaats had. (Vgl. hierbij ook het slot van Alg. Begins. XY no. 80). Intusschen kan deze overweging ook steunen op de zienswijs dat bij rationeele uitlegging van het aangehaalde wetsartikel, het eindoordeel over het bestaan der daar bedoelde evenredigheid berust bij de Regeering ; zie Alg. Begins. XVII nos. 45 sub c j°. 25 sub a i f., b en c. Ygl. speciaal het daar (25 c) geciteerde arr. H. R. van 8 Febr. 1909.

c. Tot de hierboven bedoelde beslissingen zou, stond vast dat een vonnis van faillietverklaring een daad is van voluntaire jurisdiktie, als zoodanig zonder gezag van gewijsde (iets wat echter betwist is ; vgl. ook p. 329 in de noot), wegens de gelijkenis van zulke daden met die van zuivere administratie —zie no. 17 sub a hiervóór — ook behooren Rb. 's Grav. 5 April 1904 W. 8045. Daarbij werd nl. aangenomen dat ter gelegenheid van de overweging der homologatie van een akkoord, als het vonnis van faillietverklaring in kracht van gewijsde is gegaan, —geen punt van onderzoek kan uitmaken de vraag, of de faillietverklaarde vereeniging wel rechtspersoonlijkheid had, en faillietverklaring dus wel had mogen worden uitgesproken. — Zoo neen, toch zou die uitspraak niet mogen behandeld als rechtens niet bestaande, — is dan virtualiter de beslissing der Rechtbank. Echter kan deze ook

i) Vgl. art. 254 Gem.wet.

Léon : Rechtspraak, 3e Druk, Deel II, afl. 1 30*

(Mr. L. van Pkaag, Hecht. Org.)

Sluiten