Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

richtsnoer is in acht genomen, in die laatste onderstelling kan toch nooit gezegd dat de oplegging „wettig" geschiedde.

99. Het op p. 185—186 en 257 v. o. vermelde arr. H. R. van 7 Mei 1906 overwoog het volgende: Vernietiging door de Kioon wegens strijd met de wet van het besluit, waarbij een drankvergunning was verleend aan een der houders van twee vergunningen, van welke afstand was gedaan, — brengt mee dat óók het besluit, waarbij vergunning boven het maximum werd verleend, niet mocht worden genomen. Echter is laatstbedoeld besluit niet een gevolg, vanzelf voortvloeiende uit het e eistgemelde, dat krachtens art. 158 Gem.wet daarmee van rechtswege zou worden vernietigd. (Vgl. Alg. Begins. XV no. 32). — Dit arrest nam dus implicite aan dat de strafrechter de vergunning, boven het maximum — zij het onwettig — verleend, niet als rechtens niet verleend mag aanmerken. Vgl. hierbij ook het op p. 185 opgemerkte dat een ten onrechte geweigerde vergunning niet als toch verleend, noch een ten onrechte ingetrokken vergunning als nog bestaande mag worden behandeld ').

') Dat dit laatste wèl geschiedde door Rb. Middelb. 21 Nov. 1902 W. 7920 kan niet met zekerheid gezegd, omdat uit dit vonnis niet blijkt van een be' paald besluit tot intrekking der vergunning.

In G.st. 2857 sub 3". wordt beweerd dat met het standpunt van het hier in den tekst genoemde arr. II. R. van 7 Mei 1900 niet is overeen te brengen H. R. 30 April 1906 W. 8375 p. 1-2, R.spr. 202 § 105, P. v. J. 548, waarbij was overwogen dat de rechter, met het oog op art. 8 lid 1 sub 6<>. Drankwet 1904, uit het bestaan eener bizondere vergunning zonder wetschennis kon afleiden het ontbreken eener andere, de hier vereischte vergunning. Immers mocht — zoo G.st. 1.1. - al ware jn strijd met bedoeld art. 8 die andere vergunning verleend, de rechter deze, volgens de leer van het arrest van 7 Mei 1906, met ter zijde schuiven, als ware zij niet verleend. — Intusschen volgt hieruit enkel dat onjuist zou zijn de redeneering: de vergunning mocht niet, en is daarom rechtens met verleend. Maar daarmee is nog niet veroordeeld de gevolgtrekking, uit het niet mogen verleenen af te leiden, dat bij gebreke van bewijs voor het wèl verleend zijn, als vaststaande kon aangenomen dat dit feitelijk met was geschied. En, al wil men die gevolgtrekking wraken, in cassatie kan dat toch niet opgaan. Het arrest van 30 April zegt dan ook slechts dat de rechter a quo «zonder wetschennis kon afleiden» wat hij had gedaan. Er is dus geen strijd met de leer van het arrest van 7 Mei.

Sluiten