Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelling van den pleiter voor hen, die als diakenen optraden, dat de rechter niet mag onderzoeken, of bij de benoeming op deze punten is gelet. Gesteld het eindoordeel hierin kwam niet uitteraard toe aan de kerkelijke autoriteiten (vgl. Alg. Begins. XVII nos. 56 sub a j°. 53), dan zou de zooeven vermelde stelling slechts dan opgaan, als men moet aannemen dat de benoeming — een kerkelijke bestuursdaad — van hem, die om een der genoemde redenen niet mocht benoemd, ondanks de daarin gelegen overtreding van het reglement toch geldig was.

b. Betreffende de rechtsgevolgen van onwettige benoemingen vgl. de Mem. van Toel. op artt. 281 én 282 Ontw. 1905 Wetb. van Adm. Rv., — en de voorgeschiedenis van het Kon. Besl. van 6 Mei 1907 Stbl. 95 ; zie daaromtrent B. v. St. 47 p. 98—100 en p. 465—473, alsmede W. B. A. 3026: ■ „Vernietiging en onverbindbaarverklaring". Hoewel de beslissing zelf van dit K. B. buiten de te dezer plaatse behandelde kwestie omgaat, is zijn geschiedenis hier wèl van belang. Het gold een benoeming tot waterschapsbeambte, waarvan beweerd werd dat ze was geschied in strijd met het Overijsselse!) grondreglement voor de waterschappen. De Raad van State meende dat die benoeming, onwettig of niet, nu zij niet ingevolge art. 22 wet 10 Nov. 1900 Stbl. 176 was vernietigd, van kracht gebleven wan. Hiertegen stelde de Min. v. Waterstaat, dat wat onwettig is, geen kracht heeft, dat daarop het rechterlijk toetsingsreebt berust, en dat ook het administratief gezag dit standpunt moet innemen. (Omtrent dit laatste vgl. hiervóór p. 459. — De R. v. St., gevraagd zijn motiveering te wijzigen, weigerde dit en voerde o. a. nog aan dat, erkende men niet de geldigheid van het benoemingsbesluit, het in art. 22 wet 1900 aan Ged. Staten gegeven vernietigingsrecht feitelijk op een andere macht zou worden overgebracht, en dat op die wijze verwarring in het bestuur kon ontstaan. — Dit laatste argument is er een, m. i. hoofdzakelijk de iure constituendo. De Minister ontkende dat het reden van bestaan had, omdat het bestuur, dat het besluit neemt, opnieuw in de aangelegenheid kan voorzien. Hij schijnt hierbij niet te hebben gedacht aan het-

Sluiten