Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geen inmiddels feitelijk kan zijn geschied (daden door den onwettig benoemde verricht), noch ook aan wat hijzelf terecht aanvoerde tegen de bewering aangaande overbrenging van het vernietigingsrecht, dat n.1. zijn opvatting slechts ten gevolge had het buiten toepassing laten van het besluit in het konkreete geval, zonder dat men later hieraan was gebonden. (Vgl. ook p. 454 hiervóór). Overigens herhaalde de Minister zijn hoofdargument dat wat onwettig is, geen kracht heeft, nog in dezen vorm dat een lager voorschrift het gebied van een hooger niet kan verkleinen, en dat hierop de jurisprudentie steunt, die 's rechters toetsingsrecht erkent, welke bevoegdheid ook toekomt aan hooger administratief gezag.

c. Het zooeven sub b i. f. genoemde hoofdargument van den Minister is een petitio principii. En voorzoover de jurisprudentie over het toetsingsrecht, waarop de Minister zich beroept, in zijn geest is gemotiveerd, is ook tegen die motiveering bezwaar te maken, al komt men op andere gronden met haar tot hetzelfde resultaat; zie hiervóór no. 25 sub a en d, alsmede ten opzichte van verordeningen no. 21 sub c—d.

Voorzoover zij mochten bedoelen algemeen te gelden, zijn m. i. èn het stelsel van den Raad van State (voor het gegeven geval misschien het juiste), èn dat van den Minister te verwerpen. Ten opzichte van het laatste zie het zooeven gezegde. — De opvatting van den R. v. St., als deze mocht wezen dat steeds administratieve besluiten, die niet vernietigd zijn, per se „van kracht blijven", ook bij onwettigheid, d. w. z. zonder dat ooit die kracht daardoor iets vermindert, — brengt mee dat een onwettig besluit gelijke rechtsgevolgen heeft als een wettig. Hieruit zou dan volgen, dat men ook aan een onwettig bevel, zoolang het niet van hoogerhand is vernietigd, gehoorzaamheid verschuldigd is, als ware het wettig. Niet alleen zou dit dan ook voor verordeningen moeten gelden, en wordt daarom inzoover terecht door den Minister tegen deze consequentie der hier onderstelde leer van den Raad van State beroep gedaan op 's rechters toetsingsrecht ten aanzien van verordeningen. Maar ook schijnt — al moet worden toegegeven dat gebondenheid

Sluiten