Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan een bevel kan samengaan met straffeloosheid van verzet tegen zijn uitvoeiing, — de hier aangeduide consequentie der zooeven bedoelde leer in beginsel niet wel overeen te brengen met bepalingen als artt. 179 en 180 Swb., die de rechtmatigheid der ambtsverrichting als vereischte stellen voor de strafbaarheid (respektievelijk verhoogde strafbaarheid) van gewelddadige reaktie daartegen, althans als men deze artt. opvat in den zin, dien de H. R. — m. i. terecht — er aan toekent >).

G.st. 2907 sub 1° stemt in met het argument van den Raad van State (hierboven sub b vermeld) dat er bij de uitvoerders van besluiten zekerheid moet zijn over hun rechtsgeldigheid. Dit is een overweging de iure constituendo, die op dat gebied ook kan aangevoerd tegen het rechterlijk toetsingsrecht voor veror-

b Vgl. G. A. van Hamel in T. v. S. I p. 263—294 en 369 — 381. Anders II. de Ranitz 1.1. IV p. 401 — 438. Zie ook D. Simons, Leerb. v. li. Ned.Strafr. II (1907) no. 664 p. 289—291 tegenover T. J. Noyon, Het Wb. v. Sr. II 'leed. (1899) p. 229—232, 2e ed. (1907) p. 281—283. Vgl. mede de bij Simons 1.1. verder geciteerden. en laatstelijk, vooral de iure constituendo B. Gewin, Het politievraagstuk (1908) p. 135—137, die de strekking van art. 180 onzuiver weergeeft. Terecht zegt bij: men wordt gestraft als achteraf [den strafrechter] blijkt, dat ten onrechte niet is gehoorzaamd. Hiermee nu is niet enkel wat bij hem voorafgaat m.i. moeielijk overeen te brengen, maar ook is het, juist om het zooeven aangehaalde, niet waar dat de handhaving van het gezag wordt gelaten a la merci van het publiek. G. ziet ook blijkbaar over het hoofd dat het risiko om straf te beloopen velen in dubieuse gevallen van verzet kan weerhouden. En vooral vergeet hij — en mèt hem G.st. 2990 sub 1° — door het oog te richten meer op den politieagent dan op den beklaagde, dat het in diens proces gaat om zijn strafbaarheid, niet om die van den agent, zoodat de nadruk ook niet mag vallen op de goede trouw van dezen laatste.

Vgl. ook de jurisprudentie op artt. 179, '180, 185, 267, 304 no. 2 Swb. Waar deze in gelijke omstandigheden soms wèl, soms geen rechtmatigheid der bediening aanneemt, kan dit verschil van zienswijs berusten op uiteenloopende waardeering van de wettigheid der ambtshandeling, in welk geval het niet samen behoeft te vallen met de tegenstelling: legaliteits- tegenover plichtmatigheidsleer.

Bij het hier gezegde vgl. ook v. Sabwey in Mauquardsen, I, n, 1 p. 150 mild. Zie mede hiervóór p. 460— 461 en nt. 1 op p. 461, alsmede p. 462 en nt. 2 aldaar.

Sluiten