Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

motiveering, en nam nog over die van het op p. 210—211 geciteerde arr. H. R. van 17 of 18 Febr. 1848. De vraag werd niet gesteld of de beweerde onwettigheid als zij begaan was, de benoeming krachteloos zou maken, zoodat de kwaliteit van den benoemde dan terecht zou zijn betwist. —Vgl. ook het op p. 409 v. o. geciteerde arr. H. R. van 23 Aug. 1864, waarover zie mede Alg. Begins. XVII no. 12. .

In de op p. 210—212 vermelde procedure, die tot het zooeven genoemde arr. H. R. van 1848 leidde, had de Rechtbank onderzocht of de verkiezing van het polderbestuur wettig was, en nu bleek dat de gekozenen èn niet verkiesbaar waren, èn gekozen door niet-kiesgerechtigden, — hun hoedanigheid ontkend.

Zoo ook besliste ten aanzien van kerkelijke kiezerslijsten Rb. 's Hertog. 21 Febr. 1896, p. 341 geciteerd, dat — zijn deze onwettig tot stand gekomen — dit de verkiezing vitieert èn de benoemingen door de gekozenen gedaan. In anderen zin echter ditzelfde vonnis voor de vraag, of een door het competente kerkelijk gezag gegeven ontslag kon getoetst aan het kerkelijk reglement; zie p. 341. Vgl. hierbij het slot van dit no. 31 sub e. — Wat de bezwaren betreft tegen de geldigheid van kerkelijke kiezerslijsten, deze werden onderzocht door Rb. Zutphen 21 Juni 1888 W. 5598, daarbij echter aannemend dat, mochten er op die lijsten personen voorkomen, die naar het reglement niet zijn stemgerechtigd, dit, als de lijsten overeenkomstig het reglement zijn gesloten, de verkiezing niet vitieert. Ook onderzocht dit vonnis of het geval, waarin een benoeming mocht plaats hebben, zich voordeed.

Rb. Appingadam 6 Febr. 1862, geciteerd p. 213 en 446, meende dat de wettigheid der samenstelling van een kerkeraad iets is, geheel vreemd aan den burgerlijken rech ter. — Zoo ook overwoog Rb. Arnhem 15 of 17 Okt. 1842, p. 207 en 213 geciteerd, dat aan de rechterlijke macht niet toe komt de beoordeeling naar de kerkelijke reglementen der vraag, of een ontslag, gegeven aan een Roomsch-Katholiek kerkmeester zonder approbatie van den aartspriester, had mogen zijn geschied,

Sluiten