Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waar het provinciaal kerkbestuur, krachtens art. 48 van het zooeven genoemde Alg. Regiem, geroepen om bij misdrijven, waarop afzetting uit kerkelijk ambt staat, geschillen over de kerkelijke tucht te behandelen, overeenkomstig die bevoegdheid en met inachtneming van alle voorschriften een kerker aad-s ■ lid ontzet heeft uit ambt en lidmaatschap wegens verstoring der orde en rust, — de burgerlijke rechter niet verplicht is de waarde te beoordeelen der feiten, welke tot deze ontzetting leidden; vgl. Alg. Begins. XVII nos. 50 j°. 56 sub b.

In tegenstelling met het boven aangehaalde vonnis Rb. Assen van 1866, is beslist door Hof Geld. 3 Mei 1871, p. 214 geciteerd, dat de inachtneming van den tijd voor een kerkelijke verkiezing bij reglement gesteld, een gewichtig vereischte is voor de geldigheid der verkiezing, zoodat deze nietig is, als in dit opzicht het reglement is overtreden. — Tusschen meer of min belangrijke afwijkingen van het kerkelijk reglement onderscheidde ook Hof Arnhem 13 Juni 1888 W. 5573, P. v. J. 1888 no. 81. In casu nam het Hof er een van de laatste soort aan, die geen invloed had gehad op de benoeming. Zoowel hierom, als omdat het reglement er geeD nietigheid op had gesteld, terwijl ook de benoemde door de gemeente was erkend, beschouwde het arrest de gepleegde onregelmatigheid als gedekt.

Vgl. hierbij ook Ktg. Schoonhoven 30 Okt. 1877 W. 4285, implicite van oordeel dat de burgerlijke rechter op een exceptie van nonqualiflcatie tegen een kerkelijk bestuur voorgesteld, heeft te onderzoeken of inderdaad gekozen is, wie als zoodanig is geproklameerd.

Bij het voorafgaande vgl. ook no. 5 hiervóór. — Over onwettige benoemingen zie mede deze Inleiding op p. 21 en no. 17 sub c en e hiervóór. Het p. 452 vermelde vonnis Rb. Alkmaar van 25 Juni 1908 W. 8799 besliste implicite dat de onwettigheid eener benoeming tot voogd, de verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording voor gevoerd voogdijbeheer niet uitsluit.

Met de vraag inhoever de wettigheid eener benoeming praejudicieel is voor de bevoegdheden en verplichtingen van den benoemde, staat op één lijn die, of de wettigheid van zijn ontslag praejudi-

Sluiten