Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij Fadeb, Procesrecht achter het tweede deel), en aangevuld met de bepaling in het dekreet der Nationale Conventie van 16 fructidor an III (Collection générale des décrets rendus par la convention nationale, fruct. an III p. 175): „Défenses itératives sont faites aux tribunaux de connoitre des actes d'administration, de quelque espèce qu'ils soient, aux peines de droit". Art. 127 C. P. behelsde de strafrechtelijke sanktie; vgl. de Jonge, Admin. en Just. p. 8—10 '). Vgl. hierbij ook art. 260 der Staatsregeling voor het Bataafsche volk van 1798.

b. De zooeven vermelde regeling, dus steunend op de boven aangeduide opvatting der trias politica van strenge afscheiding der drie machten, hield in Frankrijk stand, ook toen daar met de Charte van 1814 had gezegevierd een andere richting, volgens welke de trias wel verdeeling der staatstaak eischte, maar niet de boven geschetste afscheiding, zoodat dan ook de Koning deel had in de wetgevende macht, tegelijk de uitvoerende macht bij hem berustte, en in zijn naam recht werd gesproken; vgl. hieromtrent Reuyl 1.1. p. 41—42 jis. p. 35—36 en p. 38. Vgl. mede aldaar p. 149—155, en daarbij de opmerking van v. Sarwey, Das öffentliche Recht, p. 661 v. b. over „die gegenseitige Unabhangigkeit der richterlichen Gewalt und der Verwaltungsbehörden, welche in Wahrheit nirgends vollstandig durchgeführt ist, noch ... werden kann". Vgl. ook Lippmann (p. 434 hiervóór geciteerd) p. 451—455, die o. a. 1.1. p. 454 opmerkt dat bij ambtsdelikten de strafrechter bestuursdaden wel moet beoordeelen. — Zie verder Reuyl 1.1. p. 50—90 over de twee verschillende opvattingen der trias politica, de eene waarnaar de objektieve

') De in den tekst geciteerde bepalingen zijn ook de basis, waarop zich ontwikkeld heeft het leerstuk van den «exces de pouvoir» in zijn oorspronkelijke beteekenis, bij ons de overschrijding van rechtsmacht; vgl. de p. 43 hiervóór geciteerde diss. van v. Delden p. 8, 10—12,19—25,36—38; zie nader op art. 99 r. o. — Zie over de tegenwoordige strekking van den recours pour excès de pouvoir in de Fransche administratieve rechtspraak LaferriêRB mede t. a. p. geciteerd, p. 366—383 en p. 389 vlgg.; vgl. ook H. Vos, Admin. Rechtspr. p.98—99.

Zie overigens omtrent verdere gevolgtrekkingen in Frankrijk uit de bedoelde bepalingen afgeleid, p. 252 hiervóór.

Sluiten