Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«taatsmacht, — de andere, volgens welke de staatstaak verdeeld wordt over verschillende organen (drie machtssubjekten). Vgl. daarbij Abtuk in Revue de droit public 13 (1900) p. 216—218.

De oud-Fransche leer verliest uit het oog dat, waar de Staatsorganen- ieder hun eigen weg gaan zonder zich om elkaar te bekreunen, — de onderlinge harmonie, de noodige eenheid verloren gaat. Tegen die opvatting is de bestrijding der trias politica door velen grootendeels gericht 1).

c. Niet de oud-Fransche leer van de (afscheiding der machten 2), maar wèl de trias politica zooals zij is gehuldigd in de Fransche Charte van 1814, is ook neergelegd in onze Grondwetten van 1814 en 1815, en dit is bij de herzieningen in 1840, 1848 en 1887 niet veranderd; vgl. ook Reuyl 1.1. p. 45—47, 242—243, 252—253 3). — Maar evenals in Frankrijk bleef de traditie deirechtspraak lang in den geest der oude opvatting van de trias politica, van de strenge afscheiding; vgl. ook Buys, De Grondwet II p. 324 midd. — Bestond daartoe in Frankrijk deze goede reden dat door de latere staatsregelingen de vroegere wetgeving niet was afge-

!) Zie b.v. A. F. de Savornin Lohman, Onze Constitutie, '2e ed. (1907). Zoowel door hem, 1.1. p. XVII—XVIII als door v. d. Vlugt in Onze Eeuw 3 p. 887—896 schijnt aangaande de vraag, of en inhoever Montesquieu's trias-leer in onze Grondwet is overgegaan, de hierboven in den tekst weergegeven oudFransche zienswijs als de alleen bestaanbare te zijn aangenomen. — Te dezer plaatse is het overigens voldoende te constateeren dat ook in onze Grondwet de trias politica is belichaamd. De vraag naar de wetenschappelijke juistheid dier leer doet hier niet ter zake, te minder nu, gelijk in den tekst sub c wordt betoogd, de trias niet kan dienen als argument om den rechter de beoordeeling van bestuursdaden te ontzeggen.

2) Slechts op deze doelt de juiste opmerking van Tellegen, De Wedergeboorte van Nederland (1884) p. 68: &De leer der elkander in evenwicht houdende machten, door Montesquieu aan Europa gepredikt; de leer van de scheiding der wetgevende en uitvoerende Macht, elke aan een afzonderlijk orgaan toevertrouwd, was niet meer in eere». — Vgl. ook G. C. v. Bosse (p. 319 nt. 1 hiervóór geciteerd) p. 16 v. b. jis. p. 5—12.

3) Vgl. mede, in het bizonder naar aanleiding der Pruisische Grondwet van 1850, op dit punt overeenstemmend met de onze, vooral na de herziening bij ons in 1848: G. Anschütz in Die Kultur der Gegenwart II, 8, Systematische Rechtswissenschaft (1906) p. 337—339.

32

Sluiten