Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schaft, speciaal niet het p. 496 v. b. vermelde dekreet van

16 fruct. an III, ') — die wetgeving is in Nederland niet ingevoerd, zoodat de navolging der Fransche tradities bij ons wettelijken steun ontbeert, en zeker had moeten ophouden, zoo al niet bij de invoering der wet R. Org., dan toch althans toen het Kon. Besl. van 5 Okt. 1822 Stbl. 44 over de conflicten van attributie (waarvan vgl. art. 1 en de considerans) werd ingetrokken door dat van 20 Mei 1844 Stbl. 25 2). — En daar onze Grondwet hiet uitgaat van de oud-Fransche opvatting der trias, die de basis vormt der hier bedoelde traditie in de rechtspraak, is ook het beroep in deze materie hierop, dat toch de leer der trias in de Grondwet is gehuldigd, misplaatst.

d. Bij het voorafgaande vgl. ook over de ontwikkeling van het leerstuk der trias politica in Frankrijk: Aucoc(p. 2 hiervóór geciteerde) no. 24 p. 56—59; Laferrière (geciteerd p. 401 hiervóór) p. 10—11, 149—151, 423, 425, 447, waarbij zie ook p. 429—430; Haurioü (p. 442 hiervóór geciteerd) p. 793—798,801—803; Dareste, La justice administrative en France, 2e éd. (1898) p. 200—205 jis. p. 156—157 en 161; P. Poullet, Les institutions franqaises de 1795 a 1814 (1907) no. 81 p. 73—74; Chauveau—Adolphe (p. 452 hiervóór geciteerd) I (1841) nos. 403—461, p. 112—130 jis. nos. 8—11, p.' 2—3, waarbij vgl. nos. 482—483, p. 135—136 en nos. 534—536, p. 152—153; Garsonnet, Traité de Proc., 2e éd., I § 13 p. 30—33, en speciaal Artur in Revue de droit public

17 (1902) p. 247—259. — Zie over het niet mogen interpreteeren van „actes administratifs" door de rechterlijke macht in Frankrijk, behalve de p. 252 hiervóór geciteerden, nog Hauriou 1.1. p. 254 —

1) Zie Chauveau—Adolphe (p. 452 hiervóór geciteerd) I no. 454 p. 127. Vgl. echter ook den twijfel of het dekreet van 16 fruct. door de Charte van 1814 niet vanzelf was gewijzigd, uitgedrukt in een arrest Hof Nancy van 26 Juli 1827, vermeld door G. Bacicer in Bijdr. tot Begtsgel. en Wetg. 1828 p. 60—61 in de noot. — Vgl. verder het korte overzicht over de opvattingen der moderne Fransche schrijvers omtrent het standpunt van den burgerlijken rechter tegenover bestuursdaden, in verband met de séparation des pouvoirs, bij C. G. v. Bosse 1.1. p. 5—12.

2) Over de toepassing van het K. B. van 1822 G. Backer 1.1. p. 46—51.

Sluiten