Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de beoordeeling van louter praejudicieele kwesties; vgl. hiervóór p. 182, 204 en 222; zie intusschen ook p. 509—513 hierna.

f. Hoffman past zijn stelsel, hierboven sub e aangeduid, ook toe in zake uitlevering ; zie 1.1. nos. 453 —460, p. 389—404. Ook de Franschen redeneeren hier uit hun leer van de afscheiding der machten, reden waarom, nu die leer bij ons niet geldt, in uitleveringskwesties de Fransche opvattingen niet klakkeloos kunnen gevolgd; zie p. 186—189 hiervóór en de daar geciteerden, speciaal Triepel 1.1. p. 440—442 ')•

i) Dat. het Fransche stelsel van de séparation des pouvoirs, en hetgeen daaruit door de Franschen wordt afgeleid, wel toepasselijk is voor Frankrijk en de onderlinge verhouding der Fransche rechters en administratieve autoriteiten, doch zonder dat er gevolgtrekkingen uit mogen worden gemaakt ten aanzien der beoordeeling van bestuursdaden in andere Staten, is terecht opgemerkt door het O. M. in concl. vóór Hof v. Gass. in Frk. 1 Maart 187 o Dalloz Ree. Pér. 1876. 1 p. 179.

In het algemeen zal men er zich voor moeten wachten gevolgtrekkingen geldend voor binnenlandsch staatsrecht, zonder meer over te brengen op buitenlandsche bestuursdaden. Mocht b.v. naar Nederlandsch staatsrecht kunnen aangenomen dat een onwettige bestuursdaad de burgers niet bindt, dan behoeft dit daarom nog niet evenzoo te zijn met de bestuursdaad in een anderen Staat. En als daar zulk een daad tot haar vernietiging wel bindt, al is zij onwettig, dan zal de vraag naar haar wettigheid niet licht praejudicieeï kunnen worden vooi den Nederlandsehen rechter. Geschiedt dit laatste wél, dan rijst de vraag of hij die wettigheid (rechtmatigheid) mag beoordeelen. Hieromtrent moet opgemerkt dat van een buitenlandsche Staatsorganen bindende beoordeeling slechts sprake zou kunnen zijn in de uitzonderingsgevallen, waarin volkenrechtelijk een buitenlandsche Staat onderworpen is aan de rechtsmacht van een ander rechter, waaromtrent zie Alg. Begins. XXI. Volgt men de ten deze meest gangbaie leer, dan zal dit vanzelf wel beperkt zijn tot het geval van vrijwillige onderwerping, omdat het andere — een zakelijke aktie betreltende onroerend goed — zich hier moeielijk kan voordoen, daar een buitenlandsche bestuursdaad op ons territoir, althans in tijd van vrede, onze toestemming zou vereischen.

Hoe is het nu echter met de louter praejudicieele beoordeeling der rechtmatigheid van buitenlandsche of vreemde bestuursdaden (b.v. in een geding tusschen partikulieren) ? Het hierboven in deze noot geciteerde arrest van het Fransche Hof v. Cass. van 1875 schijnt die beoordeeling implicite geoorloofd te achten, al overwoog het enkel dat geen verwijzing noodig is naar

Sluiten