Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35. a. Dat de rechter de wettigheid van bestuursdaden niet mag beoordeelen is uit de trias politica afgeleid o. a. door Red. (A. de Pinto) in W. 1918, zie ook Themis 1853 p. 3 (waartegen vgl. G.st. 113 p." 1 kol. 2), en .door A. R. Arntzenius in Bijdr. St.-Best. 23 p. 287—289 ja. p. 285. Diens t. a. p. gemaakte gevolgtrekkingen, naar zijn oordeel verbonden aan de tegenge-

rechter of administratie van den vreeraden Staat «sous le prétexte qu'il serait nécessaire, pour statuer sur la contestaiion, d'apprécier la valeur et les conséquences d'actes administratifs émanés d'un gouvernement étranger». — Naar aanleiding van dit arrest vgl. Féraud—Giraud, Etats et souverains devant les ti'ibunaux étrangers (1895) I p. 135—137, die enkel de vraag stelt of de rechter een buitenlandsche administratieve akte mag interpreteeren, apprécier sa portée. Hieromtrent stemt hij in met het geciteerde arrest, doch betwijfelt of dit zoo kan blijven, indien het geldt een bestuursdaad in den zin van een «acte du gouvernement, agissant comme pouvoir public, et exergant un droit d'autorilé et de commandement». Hij meent dat, komt zulk een daad ter sprake, het geschil geheel van karakter en objekt verandert, zoodat men zich dan niet meer kan beroepen op een bij het begin van het proces geschiede vrijwillige onderwerping van den buitenlandschen Staat aan de rechtsmacht van den rechter. — Bij laatstbedoelde opvatting van dezen schrijver past, naar het mij toeschijnt, een vraagteeken, althans voorzoover zijn uiteenzetting meer bedoelt te zijn dan een persoonlijke wensch betreffende toekomstig recht. — Over gemeld arrest van 1875 van het Fransche Hof van Cassatie vgl. ook L v. Bar, Theorie u. Praxis des intern. Priv.rechts, 2e ed. (1889) II p. 685 v. o., en P. de Paepe Etudes sur la Compétence civile a 1'égard des Etals étrangers.... (1894) p. 70—72. Zie ook 1.1. p. 85 v. o.—86 v. b. Zie voorts de Paepe 1.1. p. 288 -292 over de interpretatie van traktaten door den rechter, en de Fransche opvatting daaromtrent. Vgl. verder de 1.1. p. 46 geciteerde arresten der Hoven van appèl en van cassatie te Rome d.d. 24 Maart 1881 en 12 Juni 1885 (Glunet's Journal du droit int. privé 1883 p. 75 en 1886 p. 747). In die arresten — waarbij vgl. intusschen no. 40 hierna — is, evenals bij de in no. 7 hiervóór genoemde (van welke Hof Brussel 1891 echter betrof een volkenrechtelijk ongeoorloofde veroordeeling, waarop insgelijks betrekking heeft P. Fiore, Nouveau droit int. public, 2e éd. I, 1885, no. 424 p. 369—370) de bevoegdheid des rechters tot toetsing der wettigheid van buitenlandsche bestuursdaden ontkend. — Deze laatste meening is ook verkondigd in een Pruisische kabinetsorder van 9 April 1835, geciteerd bij E. Loening, Die Gerichtsbarkeit über fremde Staaten . . (1903) p. 35 in de noot bij p. 34: «Die Souveranetats-

Sluiten