Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde leer, zijn intusschen m. i. geen van alle als zoodanig te aanvaarden. Overigens vervalt ook Arntzenius in de vergissing de in onze Grondwet aangenomen opvatting der trias te vereenzelvigen met de strenge afscheiding der drie machten; vgl. het vorig no. 36 sub c jo. a—b.

handlungen eines Landesherrn können der Erörterung vor den Gerichlshöfen eines fremden Staates ... nicht unterworfen werden...». Deze bewering wordt in genoemde order enkel gemotiveerd met argumenten, die de naast de «Erörterung» ook genoemde «Entscheidung», de bindende beslissing dus betreffen, doch van geen belang zijn voor de praejudicieele beoordeeling. A.1 mag misschien worden gezegd dat het in sommige omstandigheden wenschelijk kan zijn buitenlandsche gevoeligheden te ontzien, en daarom niet te treden in een toetsing der bestuursdaad van een vreemden Staat aan het daar geldende recht, — uit wat voor gegevens blijkt van een hetzij volkenrechtelijken hetzij staatsrechtelijken regel, die dit zou voorschrijven? Wat het enkele interpreteeren eener buitenlandsche bestuursakte betreft, schijnt er moeielijk een argument van te geven, waarom dit onzen rechter niet steeds zou vrijstaan, waar het noodig mocht wezen ter beslissing van het geding. Maar ook de beoordeeling der wettigheid is hem niet ontzegd. Vooral waar in een geschil kwesties rijzen aan internationaal privaatrecht, kan zij noodig zijn (b.v. ten aanzien der wettigheid van een huwelijksvoltrekking in het buitenland). In de traktaten van intern, privaatrecht wordt zij dan ook als geoorloofd onderstelt. Al volgt daaruit niet direkt dat hetzelfde geldt buiten de bij die traktaten voorziene gevallen, er zou voor het tegendeel een verbodsbepaling moeten worden aangevoerd, die echter niet bestaat. Daar in het algemeen de rechter niet enkel naar inlandsch recht heeft te vonnissen, doch ook naar het buitenlandsche, waar dit pas geeft, — en daar de regel is dat hij elk incidenteel geschilpunt zelfstandig beslist, al zou het niet te zijner competentie staan als onderwerp van een afzonderlijk geding (vgl. hiervóór p. 195—197), zal voor de zuiver praejudicieele beoordeeling van buitenlandsche bestuursdaden ditzelfde moeten worden aangenomen.

Vgl. hierbij ook, betreffende de competentie van buitenlandsche ambtenaren, II. R. 28 Januari 1881 W. 4600, R.spr. 127 § 11, v. d. Hon. B. R. 40 p. 31, R. B. 1881 B p. 144: De wettigheid en geldigheid eener in den vreemde afgegeven verklaring (n.1. of zij is afgegeven door openbare ambtenaren, en dan of zij binnen den kring hunner bevoegdheid viel) is terecht getoetst door den rechter aan de buitenlandsche wet.

Speciaal ten opzichte van den vorm ook voor buitenlandsche bestuursdaden, zie art. 10 wet Alg. Bep.

Sluiten