Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Terwijl dus bij ons, gelijk in Frankrijk en België, de trias politica als argument is aangevoerd voor de meening dat de rechterlijke macht bestuursdaden niet mag beoordeelen, wordt haai toetsingsrecht voor wettelijke voorschriften, — en ook voor de wet aan de Grondwet ten opzichte der vraag of de wet formeel grondwettig tot stand kwam, waar geen Grondwetsbepaling aan dit toetsingsrecht in den weg staat —, op diezelfde trias gegrond door Kahn (p. 458 biervóór geciteerd) p. 601—603.

b. Met de in no. 36 sub a vermelde Fransche leer aangaande de afscheiding der rechterlijke macht van de uitvoerende, hangt ook samen de p. 416—417 aangeduide, door Thorbecke voorgestane zienswijs, dat de rechterlijke macht te beslissen heeft over vaste rechten, onafhankelijk van de door de administratie te behartigen openbare zaak, en daarom ook „onafhankelijk van politieregels (Ihorbecke, A.anteekening II p. 157), — terwijl voor het bestuur evenzeer zou moeten gelden dat het onafhankelijk zij van de rechterlijke macht, voor deze gesloten, op eigen terrein onaantastbaar (Thorbecke, Bijdrage p. 83). Ook' op deze wijs komt men er toe aan de rechterlijke macht de beoordeeling der rechtmatigheid van bestuursdaden te ontzeggen; zie speciaal Rb. sHeitog. 6 Nov. 1844, p. 423 hiervóór vermeld, welk vonnis kennelijk volgt Thorbecke's Aanteekening II p. 155.

De hier bedoelde leer van Thorbecke betreffende de burgerlijke rechtspraak als over vaste rechten, in tegenstelling tot van de openbare zaak afhankelijke — ook te vinden in de Tijdgenoot van 1842 p. 502—502 —, was in Frankrijk, zij het in eenigszins andere termen reeds verkondigd door Locré, Du Conseil d'État (1810) p. 166—168 (vgl. ook diens Esprit du C. N. I, 1805, P- 29 30), vastknoopend aan hetgeen gold onder het ancien régime. Zij was bij ons echter, voordat Thorbecke ze weergaf, al bestreden door C. Backer in Bijdr. tot Regtsg. en Wetg. 1826 p. 57—59. Vgl. ook J. Quarles v. Ufford in Themis 1848 p. 399 nt. i. f. Zie mede tegen die leer concl. O. M. vóór Hof Friesl. 27 Juni 1860 W. 2185; S. M. S. de Ranitz in Themis 1861 p. 252—258 en p. 271; Faure, Proc.recht I, 3e ed. p. 76,

Sluiten