Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

organen jegens de burgers of andere Staatsorganen, — of wel een hierop berustende constitutieve uitspraak, waar de wet deze veroorlooft. Daarbij heeft dan de rechter, in tegenstelling met de administratie, geen andere bevelen te geven dan die reeds in abstracto door het objektieve recht (wet, ca.su quo gewoonterecht, soms enkel de algemeen erkende beginselen van rechtvaardigheid) gegeven zijn, — en niet op louter nuttigheidsoverwegingen, behalve als de wet dit eischt. (Ygl. hierbij W. M. Scheltema Jzn., De Ontvankelijkheid der Admin. Rechtsvord., diss. Leiden 1908 p. 137—159 en 169—174; zie over de burgerlijke rechtspraak Hamakeb in R. Mag. 28, 1909, p. 47—58). En in strafzaken heeft de rechter enkel te beslissen hetgeen op p. 309 hiervóór is aangeduid. Hij doet noch in het eene, noch in het andere geval, wat bij ons is de taak der administratie, en vernietigt ook niet haar besluiten, alles tenzij dan krachtens bizondere wettelijke opdracht. — En hij is niet boven de administratie geplaatst, als hij geroepen is haar daden van zijn standpunt te beoordeelen, ook dan niet als dit oordeel voor haar bindend is. Want wat haar bindt is niet de wil van den rechter, maar diens oordeel. Hij legt aan de administratie niet op wat hem goeddunkt, maar stelt dan krachtens zijn funktie, hem wettelijk opgedragen '), bindend vast, hetzij wat reeds te voren het objektieve recht haar gebood, hetzij wat de wet hem uitdrukkelijk veroorlooft haar op te leggen. Dit is in beginsel ook geen belemmering der vrije werking van de administratie, die slechts vrij is binnen de grenzen, haar door het objektieve recht gesteld.

Bij het voorafgaande vgl. ook no. 16 sub c en d hiervóór, en Alg. Begins. XIX no. 10. Zie ook Kappeyne in Handn. Tweede Kamer 1872—1873 p. 1218 kol. 1 v. o. — kol. 2 v. b. en kol. 2 v. o., alsmede v. Nispen tot Sevenaer 1.1. p. 1228. Ygl. verder de polemiek in W. B. A. 2771, 2814, 2815, 2825 p. 2 en 2826 p. 2 kol. 1 tusschen de Redaktie en L. v. Praag.

f. Is beoordeeling der wettigheid van bestuursdaden door den

!) Zijn op de wet berustende competentie voor liet aanhangig geding wordt hier ondersteld; vgl. ook p. 509.

Sluiten