Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men zou kunnen tegenwerpen dat de beslissing over de bestuursdaad toch niet, evenals die der rechterlijke macht, tot onderwerp heeft b.v. het burgerlijk recht, waarop die daad inbreuk zou maken. Maar, voorzoover uit erkenning der rechtmatigheid van de bestuursdaad bij noodzakelijke gevolgtrekking is af te leiden dat die daad was een geoorloofde inbreuk op het recht, dat zij aantastte, — zou art. 2 R. O., gelijk dit door de jurisprudentie wordt opgevat, geen volledige uitwerking hebben, als de rechterlijke macht b.v. in een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige inbreuk der administratie op een burgerlijk recht, in plaats van zelfstandig de rechtmatigheid der daad te onderzoeken, zou moeten afwachten de beslissing van het administratief gezag hieromtrent, om zich daaraan te houden ').

Ten opzichte van art. 153 Prov. wet en art. 179 b Gem.wet kan men — daargelaten nu het zoo juist besproken geval — ten deze twijfelen. Naar het mij toeschijnt, geldt hetzelfde als p. 510—511 is gezegd

Uitgegaan wordt hier van de gangbare, en m. i. juiste, opvatting dat eigendom en andere burgerlijke rechten dien aard niet verliezen, waar men ze tegenover de administratie inroept; nader hieromtrent op art. 2 R. O —Vgl. hierbij ook W. B. A. 2825 p. 2 kol. 1.

Het in den tekst besproken geval staat niet gelijk met dat, bedoeld hiervóór p. 298—299. Dit, èn omdat t. a. p. niet speciaal kwestie was van een bestuursdaad, inbreuk makend op een burgerlijk recht, èn, vooral omdat het iets anders is de rechterlijke macht gebonden te achten aan een voorafgaande uitspraak van het administratief gezag als rechter te geven, — iets anders haar te ontzeggen de zelfstandige beslissing, ook waar zulke uitspraak ontbreekt.

Overigens worde nog gereleveerd dat ongeveer omgekeerd als hier in den tekst, wordt geargumenteerd in een beslissing van het Pruisische Gerichtshof zur Entscheidung der Kompetenzkonflikte van 2 Nov. 1907, vermeld D. Jur. Zeit. 1908 p. 1229—1230. Daarbij werd vooropgesteld dat over de rechtmatigheid der inbreuk door een beambte op eischers absoluut recht, de rechterlijke macht niet mocht oordeelen, en dientengevolge haar incompetentie aangenomen voor de ingestelde onpersoonlijke vordering. Daargelaten of deze beslissing juist is naar Pruisisch recht, naar het onze moet m.i. het op de Grondwet steunende art. 2 R. O. prevaleeren boven een argument, ontleend aan de stelling dat de rechterlijke macht de bestuursdaad niet mag beoordeelen; zie ook hiervóór p. 53 57 en 244—245. Vgl. bij wijze van tegenstelling met gemelde Pruisische beslissing, die van'R. G. 21 Sept. 1908 in D. Jur. Zeit. 1908 p. 1223.

33

Sluiten