Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de jurdiction retenue der Kroon, ook voor gemelde bepalingen. Zij zijn toch eenvoudig een uiting van de p. 510 aangehaalde gedachte van Thorbecke dat in de uitvoering der wet rechterschap is opgesloten ; vgl. ook Thorbecke 1.1. p. 82—83 en de Mem. v. Toel. op art. 151 oorspr. Reg.-ontw. Prov. wet in Bijl". Hand". 1849—1850 p. 275. Zij behelzen enkel een wettelijke bevestiging van hetgeen ook zonder die artikelen zou gelden. En al is in het hier behandelde geval de uitzondering, in het slot dier beide bepalingen bedoeld, niet aanwezig, daar immers de rechterlijke macht niet competent is voor het geschil over de bestuursdaad als afzonderlijk geding, — dit neemt niet weg dat uit de verwijzing door de wet naar opdracht aan anderen blijkt dat niet beoogd is te geven een competentieregeling met uitsluiting van anderen. Er bestaan dus bizondere redenen om zulk een aanwijzing bij uitsluiting hier niet aanwezig te achten; vgl. p. 76 hiervóór. — Maar die bizondere redenen zijn er m. i. niet, ingeval de opdracht aan anderen, bij het slot der genoemde bepalingen ondersteld, inderdaad heeft plaats gehad, — tenzij dan dat deze andere enkel in hooger beroep heeft te beslissen.

Erkend moet echter worden dat de hier aangeroerde kwestie zeer dubieus is. Men kan meenen dat, waar geen opdracht aan anderen aanwezig is, ook die van de bedoelde artt. 153 en 179 6 zelf er een is met uitsluiting van anderen.

Met het oog op het voorafgaande kan worden ingestemd met de jurisprudentie, vermeld hiervóór in no. 15, waar sprake is van louter praejudicieele beoordeeling door den rechter. Eveneens met die van no. 14, handelend over inbreuk op een der rechten in art. 2 R. O. genoemd, — doch niet met die, vermeld in nos. 6—9, als óók louter praejudicieele beoordeeling den rechter ontzeggend '). "Voor de jurisprudentie van nos. 10—12 zie het volgend no. 38.

Bij de wijziging van art. 2 R. O., zooals die wordt voorgesteld in het Ontw. 1905, in verhand met art. 2 b R. O. naar dit ontwerp, zal volgens de bedoeling des ontwerpers (zie § 35 der

!) Wél echter met de beslissing van liet arr. II. R. van 1900 (p. 410), -afgescheiden van de motiveering, doch dit, omdat de rechterlijke macht toen inderdaad incompetent was.

Sluiten