Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

art. 165 Grw. 1815 en art. 2 R. O. 'een geheel andere orde van zaken ingevoerd dan die onder de oude Republiek. Daargelaten hetgeen toen gold, is thans het beginsel dat de rechter der hoofdzaak ook alle praejudicieele geschilpunten zelfstandig onderzoekt, en dit zelfs als de kwestie enkel bindend kan beslist, — doch dan (geldt het geen inbreuk op de rechten, waarover uitsluitend de rechterlijke macht bindend beslissen raag) slechts voorzoover het geschilpunt niet aan een ander rechter bij uitsluiting dooide wet is opgedragen (vgl. hierboven sub f). Wel zijn uitzonderingen op gezegd beginsel bestaanbaar (vgl. p. 234—237), maar meent men — afgezien van het geval aangeduid in het slot van no. 35 hiervóór — ook ten opzichte der wettigheid van bestuursdaden een algemeene uitzondering te moeten aannemen, dan zouden, daarvoor m. i. toch sterker argumenten dienen te worden aangevoerd dan de in dit hoofdstuk besprokene.

38. Ten aanzien der beoordeeling van bestuurshandelingen in een eisch tot schadevergoeding wegens zulk een als onrechtmatig aangetaste daad, worde nog dit opgemerkt. Is de vordering ingesteld tegen een ambtenaar, doch niet q. q., maar in privé, dan bindt de onrechtmatigverklaring der daad niet de administratie, als zijnde geen partij in het geschil. Anders waar de ambtenaar q. q. of de gemeenschap is gedagvaard. Dan ligt in toewijzing der vordering de voor haar bindende onrechtmatigverklaring der daad (vgl. p. 153—155), en daaruit is m. i. bij noodzakelijke gevolgtrekking af te leiden de verplichting van gedaagde jegens eischer om onder gelijke omstandigheden zoodanige daad na te laten, zoodat in dit opzicht ook de aangevallen daad niet kan gezegd onaangetast te blijven bij de rechterlijke beoordeeling. Toch is er daarom nog geen sprake van buiten effekt stellen of ongedaan maken der bestuursdaad; vgl. p. 443 en het volgend no. 39. — Met het oog op het voorafgaande, waarbij vgl. ook p. 216—217 en Alg. Begins. XIX no. 9, — is het wel eigenaardig dat juist bij de hier besproken vordering de jurisprudentie tegen de beoordeeling van be stuursdaden nog bet minst bezwaar heeft gemaakt, ook in den tijd dat

Sluiten