Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ § 2—5 behandelde gevallen wordt gevonden daar, waar de hoogere rechter het eindoordeel van den lageren over eenige omstandigheid heeft te eerbiedigen.

§ 2.

Kindoordeel verblijvend aan de besturende organen omtrent hetgeen al dan niet wenschelijk is voor de behartiging der linn toevertrouwde belangen.

(I.) Verordeningen *).

3. De jurisprudentie ten opzichte der bevoegdheid tot het geven van verordeningen gaat in het algemeen hiervan uit dat, terwijl deze aan de wet zijn te toetsen wat haar rechtmatigheid betreft, de rechter haar doelmatigheid niet heeft te onderzoeken, óók niet voorzoover, neemt men enkel de redaktie der wet in aanmerking, van die doelmatigheid (vaak genoemd de innerlijke waarde der verordening; vgl. art. 11 wet Alg. Bep.) mocht afhangen de wettigheid, ja zelfs de competentie tot het uitvaardigen der verordening2). — Zie de hierna in nos. 8—5 (vgl. ook no. 6) opgenomen beslissingen, waaraan de gedachte ten grondslag moet liggen dat het eindoordeel over de innerlijke waarde, de doelmatigheid of wenschelijkheid eener verordening, steeds verblijft aan . het gezag, waarvan de verordening uitgaat, behoudens de wettelijke contröle van hooger besturend gezag, — met gevolg dat die doelmatigheid, waar zij door het verordenend en toeziend gezag is aangenomen, ook voor den rechter vaststaat, en daarmee dan ook de wettigheid der verordening, voorzoover afhankelijk van de doelmatigheid3). — De vraag echter of bij een verordening gemoeid is het belang, waarvoor zij volgens de

!) Zie noot 2 op p. 452 hiervóór.

2) Dat dit mogelijk is wordt telkens voorbijgezien door hen, die meenen dat doelmatigheid en wettigheid steeds zóó tegenover elkaar staan dat zij nooit kunnen samenvallen. Zie b.v. v. d. Meulen (p. 349 in de noot hiervóór geciteerd) p. 142—143. — Vgl. hierna p. 527 -528.

3) Vgl. Kleiner (p. 453 hiervóór geciteerd) p. 18—19.

Sluiten